U bevindt zich hier:

Geloofsopbouw

Streuper&Streuper

Prikkels

Discussie

Zoeken naar:

Algemeen:

Startpagina

Iets over genade

Een student theologie kreeg op zijn candidaatsexamen de vraag of hij wilde vertellen wat hij onder het veel in de Bijbel voorkomende woord ‘genade’ verstond. Zijn hakkelen en gestotter verried dat hij daarover weinig had nagedacht. Veel gebruikte woorden worden vaak gedachteloos uitgesproken. Wie verdiept zich nu in de betekenis van zo’n overbekend en onder christenen zo vaak gebruikt woord als genade? Toch is het gezegend om daarover eens iets bewuster na te denken; over ‘genade’, bedoel ik. Ik heb het ook gedaan, en nu ik het graag met u wil delen vrees ik dat ik - net als de student - er ook weinig meer van terecht zal brengen als wat stuntelig gestamel. Genade...we zijn er voor de volle honderd procent van afhankelijk (elk wedergeboren christen zal dit beamen) maar we begrijpen er zo ontzettend weinig van. Vandaar het woordje ‘Iets’ in de titel. Dat betekent ‘een heel klein beetje’; niet meer dan een ‘puntje van het topje van de ijsberg’.



Ontvangen wat je niet hebt verdiend

Zo gedefiniëerd heeft genade twee verschillende kanten: één zonder en één met schaduwen. Ik begin met die kant die overgoten wordt door de stralende zon.
In het boek Ester hebben we een sprekend voorbeeld van het onverdiend ontvangen van heil in contrast met het door eigen schuld in ongenade vallen. Hiermee steek ik van wal.
Koningin Wasti, de vrouw van koning Ahasveros, vernederde en krenkte haar heer gemaal tot in het diepst van zijn wezen, toen zij het bevel om zich te vertonen temidden van het gezelschap hoogwaardigheidsbekleders, ronduit weigerde. Zij overtrad daarbij weliswaar geen wet van Meden en Perzen, maar haalde zich daarmee heel voorspelbaar de toorn van de koning op de hals, die haar bij gebrek aan een wettelijke bepaling, en na overleg met de wijzen en ‘de kenners der tijden’ (hfst.1), per koninklijk decreet onttroonde en de laan uitstuurde. Zij kreeg wat zij verdiende.
Met Ester, die Wasti opvolgde, liep het gelukkig beter af. Maar zij nam wel enorme risico’s toen zij, vermetel als ze was, de wetten van de Meden en de Perzen overtrad, door zich ongevraagd aan te dienen bij haar heer-gemaal, wetende dat zij dit met de dood zou moeten bekopen. Dat de koning onverbiddelijk en wreed was wanneer hij in zijn eer aangetast werd, had het voorval met Wasti haar wel geleerd. Ze kon alleen maar diep in haar hart hopen dat hij nu iets milder zou zijn en haar zijn gunst zou bewijzen, alhoewel de wet dat niet toestond. Zij kwam tot deze wanhoopsdaad op aandringen van Mordekai en omdat het hele joodse volk uitgeroeid dreigde te worden. ‘Kom ik om, dan kom ik om’ was haar leus en met de moed van de wanhoop ging zij op weg naar de koning. Toen de koning Ester in de voorhof zag staan, won zij zijn genegenheid en de koning reikte haar zijn scepter toe, die hij in zijn hand had. Daarna raakt Ester opgelucht de spits van de scepter aan. De koning liet genade voor recht gelden omdat iets in haar - haar overtreding ten spijt - hem zeer beviel. Het Hebreeuwse woord dat meestal met genade of gunst is vertaald, wordt in een viertal plaatsen steeds anders weergegeven namelijk met: bevallig, innemend, bekoorlijk en kostbaar (resp. Sp11:16; Pr10:12; Sp5:19; Sp17:8). Misschien mogen we hieruit de voorzichtige conclusie trekken, dat degene die genade bewijst iets aantrekkelijks, iets kostbaars heeft ontdekt in de persoon die hem bekoort en hem voor zich in-neemt; als het ware ‘verovert’. Het zien van Ester, maakt zoveel los bij Ahasveros dat hij niet alleen bereid is haar overtreding voorbij te zien (Sp19:11), maar ook alle aandacht aan haar schenkt, naar haar wil luisteren en haar wensen en begeerten belooft te vervullen, al wenst zij ook ook de helft van zijn koninkrijk.

Laten we ons nu terugtrekken uit de burcht Susan waar wij de alleenheerser Ahasveros op zijn koninklijke troon zagen zitten om ons vervolgens in de geest te verplaatsen in het hemels heiligdom. Daar zag Jesaja de Here zitten op een hoge en verheven troon en riepen de Serafs elkaar het driemaal heilig, heilig, heilig toe (Js6:3). Eeuwen later noemt Paulus Hem in zijn brief aan Timotheüs ‘de gelukkige en enige Heerser, de Koning der koningen en Heer der heren, Hij die alleen onsterfelijkheid heeft, die een ontoegankelijk licht bewoont, die geen mens gezien heeft of zien kan’. Het is nauwelijks te geloven dat wij Hem, die grote God, ongevraagd en onbevreesd en met vrijmoedigheid tegemoet mogen treden. In vergelijking met deze Majesteit blijft er van de heerlijkheid van koning Ahasveros weinig meer over dan een schim en verschrompelt de onverdiende genade welke hij Ester schonk tot een alledaags menselijk gebaar.

Onze God is een God die gekenmerkt wordt door barm



In plaats van ongehoorzamen en onwilligen zoals Wasti te onttronen en te verbannen uit zijn paleis, opent God voor zulke mensen de deuren van zijn Heiligdom. Zo’n betoning van genade gaat voor Ahasveros meer dan één brug te ver. Daartoe is hij niet in staat. Ahasveros bleek niet in staat een verstotene gunst te bewijzen. Maar onze God en enige Heerser, de Koning der koningen en Heer der Heren nodigt hen uit, die Hem hebben miskend en onteerd om tot Hem terug te keren. En wanneer zij dit doen met erkenning van schuld en eigen onwaardigheid staat Hij op de uitkijk en neemt hen, net als de Vader van de verloren zoon, in zijn armen, kust hen, geeft hen het beste kleed, een ring aan de vinger, sandalen aan de voeten, slacht het gemeste kalf en richt een feestmaaltijd aan om hun thuiskomst te vieren. Kortom we worden behandeld als zonen van de Vader, als familie van God. Ahasveros zei dat hij bereid was de helft van zijn koninkrijk aan Ester te schenken wanneer zij dat zou vragen. Maar zonder dat wij het vragen - ik zou het niet eens durven, u wel? - beschikt Hij ons zijn eigen koninkrijk en maakt ons daarin tot priesters, die Hem vrijmoedig tegemoet mogen treden , en tot koningen, die bekleed met zijn gezag, getuigenis afleggen van de heerlijkheid van de God des hemels. Nu in de wereld waarin wij leven, en straks in zijn eeuwig Koninkrijk.
Het is met Gods genade precies zo als met de liefde van Christus. Zij is dieper en wijder dan de zee! Met het petieterig klein putemmertje van ons geestelijk bevattingsvermogen kunnen we samen met alle heiligen eindeloos en zonder ophouden water blijven scheppen uit deze ‘zee’ om ons ‘aarden vat’ ermee te vullen, zonder dat de ‘zeespiegel’ ook maar iets zal dalen. We kunnen die ‘zee’ opvaren en afsteken naar de diepte zover we willen, maar aan de horizon zullen we nooit land ontdekken. Gods genade kent perk noch palen!
De volgende keer weer iets over genade, maar dan vanuit een heel ander gezichtspunt.




Nog iets over genade

Voordat ik de draad van het vorige artikel weer opneem, doe ik eerst een poging iets te zeggen over het woord ‘genade’.
Genade is een tot het wezen van God behorende eigenschap, die werkzaam is in relatie met zijn schepselen, tot wie Hij zich neerbuigt om hen wél te doen.
Genade op zichzelf is geen kracht. Maar wanneer we ons ervan bewust zijn dat we in Gods gunst staan (in de grondtekst is dit hetzelfde woord dat ook met ‘genade’ is vertaald) is dit een kanaal waardoor Gods kracht naar ons toestroomt. Genade schenkt vrede en rust en stelt ons in staat om lijden en onrecht blijmoedig te aanvaarden, te dragen en te doorstaan.
De betekenis van het griekse woord, dat in het nederlands is vertaald met ‘genade’ of ‘gunst’ hangt samen met een ander woord dat vreugde, blijdschap betekent. Hiermee rekening houdend kan ‘genade’ ongeveer als volgt worden omschreven.
God heeft gevoelens van genade en genegenheid ten opzichte van zijn schepselen, die Hem er toe brengen om met vreugde en blijdschap zijn hart voor hen te openen teneinde hen met weldaden te overladen. Genade vervult het hart van God én het hart van de mens met blijdschap en vreugde.
Zo lezen we van de Here Jezus dat ‘de genade Gods op Hem was (Lk2:20)’ En dat Hij toenam in wijsheid en grootte en gunst bij God en mensen (vs.52)’ Naarmate het Kind zich tot een volwassen Mens ontwikkelde, groeide gaandeweg de genegenheid bij God en mensen wanneer zij Hem zagen, en verheugden zij zich daarover.



Genade is óók goed doen terwijl men lijdt

Direct onder de kop ‘ontvangen wat je niet hebt verdiend’ schreef ik de vorige keer:
“Zo gedefinieerd heeft genade twee verschillende kanten: één zonder en één met schaduwen.”
We hebben er toen over nagedacht dat het genade van God is, dat we heil en heerlijkheid onverdiend hebben ontvangen. Maar het kan ook andersom, dat ons onverdiend onheil treft: Je hebt goed gedaan en toch krijg je - om zo te zeggen - op je kop. Vandaar de uitdrukking: genade met een schaduwkant. De schaduwen van het lijden ter wille van het geweten, dreigen de zon van Gods genade, waarin wij mogen staan, soms te verdonkeren. Maar let op! Het zijn juist de schaduwzijden en de slagschaduwen van het verdragen onrecht en de onverdiende smaadheden, die het warme licht van Gods genade des te helderder doen uitkomen. De satan tracht ons leven te vergallen. Kwistig strooit hij op ons levenspad de distels en doornen, zodat de weg onbegaanbaar schijnt en het ons soms voorkomt dat we bij God in ongenade zijn gevallen. Waarom moet óns dít nu weer overkomen? Soms overvalt ons eenzelfde twijfel als eens Asaf (Ps73): afgunst op de hoogmoedigen en op de voorspoed van de goddelozen, die het allemaal veel rijker, beter, gemakkelijker, zorgelozer en zonniger in hun leven hebben dan wij die serieus pogen onze handen schoÁon te houden, rechtvaardig te leven, tevreden en dankbaar te zijn. Maar in werkelijkheid zijn het ‘alleen maar’ beproevingen die ons dichter bij God moeten brengen; eerder dingen om ons over te verheugen (Ps84:7;Jk1:2) dan over te zuchten. Alhoewel het altijd gepaard gaat met droefheid (Hb12:11) en verdrukking (2Ko4:17;Rm8:18).
Op alle mogelijke en onmogelijke manieren is Satan bezig ons te ziften als de tarwe (Lk22:31). Direct nadat Lukas schrijft dat de discipelen erover van gedachten hadden gewisseld wie van hen zo slecht zou kunnen zijn de Meester te verraden(vs.23) en wie de eerste (vs.24) was, heeft Jezus in bijzijn van alle andere discipelen Simon gewaarschuwd voor Satans listen en bedoelingen. Op zijn beurt en in zijn eigen woorden geeft Simon eenzelfde waarschuwing door in zijn eerste brief wanneer hij schrijft: ‘Weest nuchter, waakt, uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek wie hij zou kunnen verslinden,’ en voegt eraan toe:’ Weerstaat hem, standvastig in het geloof!’ Dat betekent dat we erop bedacht moeten zijn wanneer en waartegen we ons moeten verzetten. Van nature zijn wij geneigd bij elke aanval direct flink van ons af te slaan. Meestal zijn we te gauw bereid onze rechten te verdedigen. In veel gevallen is dat toegestaan, zelfs nodig. Maar het kan in veel gevallen óók zijn dat dit tot oneer van God is en dat het aanvaarden van het onrecht juist tot eer van God is (1Ko6:7). Dat is voor ons dan wel even slikken. Maar juist in zo’n situatie zegt Petrus - tot twee keer toe - tegen het ‘slachtoffer’: ‘Dit is genade.’ Genade schijnt in dit geval precies het tegenovergestelde te zijn van wat we eerst overdacht hebben. Eerst zagen we dat wanneer God ons genadig is, dit inhoudt dat Hij ons goeddoet ondanks onze misdragingen, en nu zien we, dat het genade van God is wanneer men zich tegen ons misdraagt wanneer wij goeddoen. ‘Want dat is genade, als iemand droeve dingen verdraagt ter wille van het geweten voor God, terwijl hijonrechtvaardig lijdt. Want wat voor roem is het, als u volhardt terwijl u zondigt en met vuisten wordt geslagen? Maar als u volhardt terwijl u goed doet en lijdt, dat is genade bij God (1Pt5:19,20).’ Deze genade heeft niet te maken met het feit dat we zondaren waren, maar dat we rechtvaardigen zijn geworden. Toen wij zondaren waren, waren we werktuigen van de on-gerechtigheid; nu werktuigen van de ge-rechtigheid. Vóór het kruis waren we slaven van de zonde. Maar door Christus’ zoendood zijn wij voor de zonden afgestorven opdat we voor de gerechtigheid zouden leven (2Pt2:24). Wij zijn nog wel slaaf, echter nu niet meer van de zonde, die tot de dood voert, maar van de gehoorzaamheid (aan de inhoud van de leer van Christus) om als rechtvaardigen te leven naar het voorbeeld van de Rechtvaardige (vgl. Rm6:17). Leven in gerechtigheid brengt altijd lijden met zich mee. En wanneer dit lijden werkelijkheid wordt in het leven van een christen, dan zegt Petrus niet: ‘wat vervelend nou,’ of:‘wat erg’- alhoewel het lijden ontzettend erg kan zijn! - maar: ‘dit is genade!’ Even later zegt hij zelfs dat, wanneer je zoiets ten deel valt, je goed af bent! ‘Dan ben je gelukkig’ (1Pt2:20;3:14;4:14). Daarmee brengt hij het leed van hen die onrecht lijden op een hoger plan. Zo hebben de apostelen die door de joodse Raad gegeseld en onder druk waren gezet om voortaan niet meer te spreken over de naam van Jezus, het onrecht dat hen was aangedaan ervaren als een oorzaak om blij te zijn, omdat ze waardig geacht waren voor de naam van hun Heer oneer te verdragen (Hd5:41). Jaren later schrijft Petrus: ‘Geliefden, laat de vuurgloed in uw midden die tot uw beproeving dient, u niet bevreemden alsof u iets vreemds overkwam; maar naarmate u deel hebt aan het lijden van Christus, verblijdt u, opdat u zich ook verblijdt met vreugdegejuich bij de openbaring van zijn heerlijkheid.

Als u in de naam van Christus smaad lijdt, bent u gelukkig, omdat de Geest van de heerlijkheid en kracht en Die van God op u rust (1Pt4:13,14).’ Juist dan, wanneer Gods kinderen in benarde omstandigheden zijn, gaat Zijn genade en genegenheid heel in het bijzonder naar hen uit om hen krachtig bij te staan. Juist dan omringd God hen met goedertierenheid en barmhartigheden.



Leiden ter wille van de gerechtigheid en het gewet

De kernwoorden van Petrus’ brieven zijn : lijden en genade. Christenen lijden ter wille van de gerechtigheid en om des gewetens wil. Dit lijden kan plaats vinden onder zeer verschillende omstandigheden en om zeer uiteenlopende redenen. Maar die omstandigheden en oorzaken moeten we altijd zien als een genade-beschikking die God ons toebedeeld, zoals Hij - bijvoorbeeld - ieder van ons ook een genadegave heeft gegeven om dienstbaar te kunnen zijn. Vanaf 1P2:11 laat de apostel Petrus alle mogelijke omstandigheden die zich destijds voordeden op heel verschillende terreinen, de revue passeren. Een heel scala van gelegenheden waarin zij als een koninklijk priesterdom Gods deugden moesten verkondigen. Petrus behandelt in zijn brief alle terreinen van het leven waarmee zij toen te maken hadden. O.a.: hun wandel onder de volken, de positie van een ‘huisknecht’, verstoorde verhoudingen in het huwelijk, een wereld die hun kwaad wil doen en tenslotte schrijft hij over hen als de kudde van God en geeft impliciet aan dat zich daarin ook ‘herders’ bevinden die het te doen is om schandelijke winst en om te heersen over andermans erfgoederen. Hij spreekt over hoogmoedigen die God weerstaat maar ook over nederigen, die daaronder lijden en die Hij genade geeft.
Hij wijst erop dat de Satan als een brullende leeuw een levensgrote bedreiging vormt voor de kudde. Er was op de hele wereld geen plek voor hen te vinden waar ze gevrijwaard zouden zijn van lijden en onrecht. Overal kon het hun treffen. Zelfs temidden van de kudde van God bevinden zich leden van de broederschap die, in plaats van de lammeren en de schapen te verzorgen, hen veel leed berokkenen. Toen dus ook al!
Maar hoe verging het de Heer Zelf?



Christus" voorbeeld, geheim" van een vruchtbaar l

Toen Hij op aarde was, ontving Hij niet wat Hij had verdiend en Hij verdiende niet wat Hij ontving. Zijn waarachtigheid werd beantwoord met list en leugen. Als loon voor Zijn liefde ontving Hij haat. Nooit werd er bedrog in zijn mond gevonden, maar tóch werd hij als zondaar aangemerkt. Ze scholden Hem uit voor ‘Samaritaan’ en associëren Hem met Beëlzebul, de overste van de duivelen, maar Hij schold niet terug, en als Hij leed dreigde Hij niet. Hij aanvaardde volledig de consequenties van het priesterschap dat Hij vrijwillig op Zich had genomen. Hij verheerlijkte God en gaf zijn leven om zijn vijanden te kunnen sparen in de dag des oordeels. De wereld verwees Hem naar het kruis ofschoon zijzelf heeft moeten erkennen geen schuld in Hem te vinden, en God oordeelde Hem alhoewel Hij geen zonde heeft gedaan. Hij kreeg wat Hij niet had verdiend, en tóch bad Hij voor zijn moordenaars. Hij kon dat allemaal volbrengen omdat Hij alles overgaf aan Hem, die rechtvaardig oordeelt. Dát was het grote geheim van zijn leven. En dát, zegt Petrus, is nu precies wat God ook van jullie verwacht. Hij verwacht dat jullie niet voor eigen rechter gaan spelen, maar jezelf én het oordeel aan Hem overgeven. Breng het maar bij Hem: al het onrecht dat jullie aangedaan wordt en het leed dat jullie moeten dragen om mijn naamswil. Dat juist is jullie roeping, omdat ook Christus voor u geleden en u een voorbeeld nagelaten heeft, opdat u zijn voetstappen navolgt (zie 2Pt2:21). In zo’n levenshouding worden op drie fronten de kracht en de genade van God zichtbaar, nl. voor het front van de wereld, maar evengoed in de gemeente, en niet in de laatste plaats in de diepte van eigen ziel.
Toen Christus op aarde wandelde leed Hij in het vlees (1Pt4:1). Dat is ook onze roeping. Wij dienen ons te wapenen met deze gedachte; ons er helemaal op instellen, zodat wanneer het ons treft wij niet vreemd opkijken. Het hoÑort bij het christen-zijn, bij het volgen van Jezus. Lang genoeg hebben we voor onszelf geleefd. Nu het donkere dal van de zonde en de dood achter ons ligt, geldt voor ons alleen nog de wil van God, niet die van het vlees. God verlangt ernaar gelovigen te zien, die als toegewijde priesters zijn deugden verkondigen en daarbij de voetstappen van zijn Zoon drukken. Wanneer ons dan ook droeve dingen overkomen, is dat niet ‘zielig’. Petrus zegt heel wat anders: ‘dat is genade van God!’
Wanneer wij leed en onrecht hebben te verdragen terwille van ons geweten, moeten wij dat dragen ‘naar de wil van God (1Pt4:19 vgl.:2).’ M.i. betekent dat niet dat het Gods uitdrukkelijke wil is dat we één of ander leed terwille van Hem moeten dragen, maar dat wanneer we ter wille van het geweten leed verdragen of onrecht dat ons werd aangedaan moeten dulden, wij dat moeten verdragen op een wijze zoals God dat graag van ons ziet. Niet onwillig, niet tandenknarsend en met haat in de ogen jegens degenen die het ons berokkenen, maar gewillig, zoals Hij het deed, die als Hij gescholden werd, niet terugschold, als Hij leed niet dreigde, maar Zich overgaf aan Hem die rechtvaardig oordeelt. Wanneer ons iets dergelijks te beurt valt is dát ‘genade van God!’
Om aan dit verlangen van God te voldoen hebben wij heel veel genade en kracht nodig. Maar, het is er in overvloed, ze raakt nooit uitgeput; ze is onbeperkt als God Zèlf!
In het begin van Petrus’ loopbaan gaf hij er blijk van niets voor het lijden te voelen (Mt16:22). Maar in de leerschool van zijn Meester heeft hij in ieder geval zulke vorderingen gemaakt dat hij ons aan het eind van zijn eerste brief op grond van eigen ervaring kan verzekeren, zo in de trant van: ‘Je kunt er rustig voor gaan, want God staat erachter met zijn genade!’

De God nu van alle genade, die u heeft geroepen tot zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, Hij zal u, nadat u een korte tijd geleden hebt, volmaken, bevestigen, versterken, grondvesten. Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheid! Amen. 1Pt5:10,11.