U bevindt zich hier:

Geloofsopbouw

Streuper&Streuper

Prikkels

Discussie

Zoeken naar:

Algemeen:

Startpagina

Simon Streuper, februari 2016


Hier mijn antwoord op de vraag van broeder X over mijn visie op de spijswetten en de reacties daarop.




SStr:
Doordat de laatste decennia er geloofsgemeenschappen van Messiasbelijdende joden zijn ontstaan is er langzamerhand eenzelfde situatie ontstaan als in de dagen van de apostelen. ( zie o.a. Hd15 en Gal2). Messiasbelijdende joden komen uit een traditie die leefden vanuit de Mozaïsche Thora. Zij blijven die, na hun bekering onderhouden, evenals de joods christenen in vervlogen tijden. En ook Paulus paste zich hierbij aan wanneer hij dat nodig oordeelde, zoals hij zich ook aanpaste bij de eetgebruiken van de niet-joden. Geen wonder dat er dan enorme meningsverschillen kunnen ontstaan in de ontmoeting met niet joodse christenen die ver afstaan van de joodse leefwijze. Wij zullen daaraan moeten wennen en er mee moeten leren omgaan.
Daarom geven Handelingen 10 en 15 en Galaten 2 belangrijke lessen om ter harte te nemen, omdat ze ook spanningen – zelfs scheuringen – (o.a) in evangelische kringen veroorzaakt hebben.

Br.X:
Reactie: het is jammer als gesprekken vaak zonder noodzaak leiden tot scheuringen, ipv ruimte te laten voor een wat verschillend verstaan, zolang de basis van het evangelie maar overeind blijft. In dat kader zie ik dit gesprek.

SStr:
...
en tot wederzijds begrip en respect.

Het is voor mij althans in ieder geval zonneklaar - maar niet voor elke Messiaanse christen - dat op 4 uitzonderingen na het juk van de Mozaïsche wet niet op de niet-joodse christenen mag worden gelegd, die ook de joden zelf niet konden volbrengen. Het verschil heeft te maken met de spijswetten en de culturele aspecten van de Thora (de ommuring). Maar ook met wat de niet-joodse gelovigen door het geloof in Christus hebben ontvangen. Dit is van een andere orde dan wat de Mozaïsche wet en voorschriften omhelst. Kennelijk hebben zij naast het aanvaarden van Christus niets meer nodig dan alleen het onderwijs van de apostelen, die door Jezus zelf zijn onderwezen en hun hart en ogen heeft geopend om de Schriften (inclusief het OT) te verstaan (Luk24:24vv).
Dit betekent dat Messiasbelijdende joden, die zich vanuit het Jodendom tot Christus bekeren, de Schriften met door de Geest geopende ogen en harten, opnieuw moeten gaan lezen en interpreteren. Zij moeten een nieuw paradigma ontwikkelen en het OT nu leren verstaan bij het licht van het NT. Dus: andersom. Omdat zij, net als Barnabas, doorkneed zijn in de Schriften mag je verwachten dat zij - meer dan niet joodse leraren - geestelijke schatten kunnen opdiepen uit het OT. Ongetwijfeld kunnen zij ons tot rijke zegen zijn, behalveen dat is het standpunt dat ik verdedig -wanneer zij, zoals in Antiochie het geval was, de niet joodse christenen hun traditionele joodse leefwijze willen opdringen, met name de spijswetten Gal2:14.

Br.X:
Hoewel het begrip juk van de wet geen negatieve klank had onder Joden, maar meer een technische term was, is het slavenjuk in Gal 5:1 dat natuurlijk wel. Hier is daarom wel een kanttekening noodzakelijk. Wat in Galaten speelde was dat de judaisten vereisten dat de heidenen de Joodse wet gingen houden als NOODZAAK tot behoudenis! Dat was uiteraard geheel verkeerd, want wie beiden wil, verliest Christus! Wie zijn heil verwacht van Christus PLUS het doen van werken der wet leidt ertoe dat hij Christus mist! In DIE ZIN WAS het juk der wet een slavenjuk, omdat de Wet nooit zegt dat het wel genoeg is. De wet eist en eist en eist aldoor!

SStr:
Op een paar plaatsen na in het OT, waar gesproken wordt over offerdieren, geldt de voorwaarde dat ze niet onder een juk geleefd moeten hebben. Dit is dus nog vrij neutraal, maar naar mijn oordeel wordt een juk altijd en overal negatief geduid, behalve het juk waarover Jezus sprak in Matteüs 11:29,30.

Mijn stelling is:
De spijswetten hoeven niet te worden gehouden door niet-joden. Dit kan worden geconcludeerd uit Handelingen 10, waar Petrus een visioen ziet met onreine dieren en een stem hoort, die tot drie keer toe zegt: slacht en eet.

Br.X:
Het blijft uiteraard een kwestie van hoe je dat uitlegt! Maar ik meen dat Petrus de uitleg zelf geeft in vers 28 "doch mij heeft God doen zien, dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen." Natuurlijk zou je kunnen zeggen dat dat onderscheid gekoppeld is aan de voedselwetten, maar ik denk dat dat niet zo is. Het verbod om niet tot een niet-Jood in te gaan vind je als zodanig niet in de Thora en vormt daarmee een deel van de mondelinge wet, die God hiermee afwijst!

De conclusie dat Paulus en Barnabas niet kosher aten in Antiochië is m.i. een interpretatie die geen duidelijke grond heeft. Is er ook maar iets wat hierop wijst? Simon Streuper
Gaat het echter verder dan een veronderstelling?
Trouwens zoals al eerder genoemd is: Jezus zegt toch duidelijk dat Gods geboden NIET ongedaan worden gemaakt?:

Matteüs 5:17 "Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. 18 Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied. 19 Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen

SStr:
Dit is geen uitleg van de betekenis van het visioen en de woorden slacht en eet. maar een conclusie die hij trekt uit het gezicht en de stem. De eerste conclusie is, dat God hem heeft getoond geen enkel mens onheilig of onrein te noemen. Deze, nogal logische, conclusie maakt voor hem de weg vrij om met een goed geweten Cornelis te bezoeken. Toen hij dat deed, kreeg hij de uitnodiging een paar dagen te blijven (vs. 48). En als hij deze uitnodiging heeft aanvaardt ( en waarom niet?), heeft hij ongetwijfeld met een goed geweten de niet-kosher opgediende maaltijd genuttigd. Het woord “Slacht en eet” geeft expliciet de opdracht weer. Dus: niet alleen contact, maar evengoed eten van de niet koshere maaltijd.

Petrus’ verweer: ‘in geen geval, Heer, want nooit heb ik iets onheiligs of onreins gegeten’, is m.i. niet relevant. Het gezicht, zowel als Petrus reactie verwijzen onloochenbaar naar de spijswetten. Er is geen aanwijsbare reden waarom je hier een verband met de mondelinge overlevering zou moeten zoeken. Het argument dat het niet ingaan tot een niet-jood als zodanig niet in de Thora staat zegt mij niet zoveel (alhoewel Deut. 7:1-4 zo gelezen kan worden). Petrus reactie is gelijk aan die van Ezechiël (4:12) ‘nooit onrein voedsel gegeten’, maar ik heb nergens in de Thora gevonden dat je geen koeken mag bakken op menselijke uitwerpselen. In ieder geval neem ik sowieso aan, dat Ezechiël evenmin als Petrus, dit zeiden onder invloed van de mondelinge overlevering maar op grond wat de wet zegt.

Br.X:
Cornelius is blijkens 10:1 een z.g. Godvereerder (een heiden die de synagoge bezocht, die in alles de wet van Mozes volgde maar niet besneden was, was hij dat wel dan zou hij als proseliet beschouwd zijn!) Dit gegeven is belangrijk want daaruit kunnen we begrijpen dat Cornelius ook de Joodse voedselwetgeving volgde! Dus niks geen varkensboutjes daar op tafel. Uiteraard was het een van deze vrome soldaten die Petrus vroeg om mee te komen.

SStr.:
Naar mijn smaak wordt hier wel wat te veel toegevoegd aan de beschikbare Schriftgegevens. Toegegeven: het had zo kunnen zijn, maar dat een Romeinse centurio (een onderofficier met gezag over slechts 100 soldaten) er een kok en keuken op na houdt waarin de maaltijden kosher bereid en opgediend worden is wel te veel gevraagd. Het gebruikelijke soldatendiner van rats kuch en bonen, aangevuld met vis of vlees van varken of rund, als gebruikelijke maaltijd, ligt meer voor de hand.

Natuurlijk heeft het gezicht alles te maken met de spijswetten uit Lev.11 en Deut.14. Hier beweren dat het niet om de spijswetten, maar om de mondelinge overlevering gaat omdat ‘contact hebben met de niet-jood’ niet expliciet is verboden in de Torah, acht ik meer dan onwaarschijnlijk. Vergelijking van Petrus’ reactie met die van Ezechiël (4:12-15) maakt zonneklaar, dat èn Ezechiël èn Petrus zich gebonden weten aan de spijswetten en er moeite mee hadden daarvan af te wijken, zelfs wanneer Godzelf daarvoor de opdracht geeft!

Br.X:
ja in beide gevallen gaat het om de Joodse voedselwetgeving. Dat spreek ik ook niet tegen, anders zouden noch Ezechiël, noch Petrus bezwaar hebben gemaakt. Maar ik zeg ook (met een knipoog) “ goed lezen!!” want we moeten luisteren naar wat Petrus zelf als uitleg geeft en er niet één instoppen als de tekst zelf iets anders zegt. De tekst zegt echt helemaal niets over het eten van onrein voedsel. Want WAT zegt Petrus nu tegen Cornelius? Dat het niet geoorloofd is om onrein voedsel te eten? Nee helemaal niet! “Gij weet, hoe het een Jood verboden is zich te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood; doch mij heeft God doen zien, dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen.” DAT is wat er STAAT! NIETS over het eten van onrein voedsel dus!

SStr.:
Uiteraard heb ik heel goed gelezen en nauwkeurig gewogen en begrepen wat Petrus heeft gezegd, maar zonder te vergeten dat de woorden ‘SLACHT EN EET’ meer betekend dan ‘contact’. De woorden van de stem “slacht en eet” blijven ook na “Petrus’ woorden” hun eigen betekenis houden en betekenen letterlijk: “neem deze door de spijswetten verboden dieren, slacht ze en eet ze”. Natuurlijk begrijpt iedereen, die hierover nadenkt, dat de stem van het visioen iets zegt dat regelrecht in strijd is met het gebod, maar ik geloof wel dat deze stem van Godswege was. Ik kan dus alleen maar aanvaarden dat God dit zelf zo heeft gezegd en heel goede redenen heeft - die ik niet eens hoeft te begrijpen - om die spijswetten niet langer geldig te verklaren. Die van Godswege gesproken woorden zijn niet bedoelt om naast je neer te leggen. OOK DAT is wat er staat, dus ALLES over het eten van onrein voedsel! En wanneer dit onmiskenbaar een duidelijke afwijking van de vertrouwde koshere eetregel is, wat kan Petrus dan nog verhinderen dit in praktijk te brengen wanneer die gelegenheid zich, direct na het horen van die stem, aan hem opdringt? Ben je dan niet horende doof wanneer hij zou “uitleggen” dat God hiermee alleen bedoeld heeft ‘contact hebben’ ?
gezicht voordoet?

Inderdaad is dit een veronderstelling, net als de veronderstelling dat Petrus wel kosher gegeten heeft bij Cornelius. Maar ik heb nog wel legio Bijbelse tekstplaatsen om mijn aanname te ondersteunen.

Ik begin met dingen die al eens eerder genoemd zijn

Luk. 10:7 En blijf in datzelfde huis en eet en drink wat men er heeft. De tegenwerping,dat “De uitzending van de discipelen plaats vond richting joden, dus niet onder heidenen.” Is helemaal juist, maar gaat er aan voorbij, dat er in Israël een multculturele bevolking was, met name in “Galilea der heidenen”. Trouwens, over het hele land verspreid leefden er niet weinig nazaten van de oorspronkelijke kanaanieten (Richt. 2:1-5). Vooral in de landstreek Galilea wemelde het van nakomelingen van buitenlanders die koning Tiglatpilezer van Assyrië naar Gallilea had gedeporteerd . Zelfs vanuit Babel, Kuta< Awwa, Hamat en Sefarwaïm waren hele volksstammen onvrijwillig gedwongen, om de weggevoerde joden te vervangen en heel Samaria te bevolken. De geschiedenis van die streek en zijn bewoners in beschouwing nemend ( zie o.a. 2Koningen 16 en 17) kun je een kansberekening maken van de mogelijkheid om in Galilea een huis te vinden waar je kosher kunt eten, om het even of het autochtonen of allochtonen zijn! Wat mij betreft spreken de woorden “eet en drink wat men er heeft” boekdelen. Ze geven heel praktische richtlijnen hoe ze moeten omgaan met onvermijdbare problemen in hun multiculturele omgeving. (Dit is één van mijn zwakste argumenten, maar telt wel mee)

Br.X.:
het is weliswaar een interessant aspect waar ik niet eerder over nadacht, maar ik vind de gedachte te veel gebaseerd op een redenatie op dezelfde wijze als waarop kinderdopers veronderstellen dat het huis van de gevangenbewaarder vast ook wel babytjes bevatte... Ik zou er dus beslist niet zo’n gewicht aan willen geven, te meer daar de instructie lijnrecht tegen de Thora ingaat! Dat al te veronderstellen vóórdat de verandering van priesterschap had plaatsgevonden tijdens de kruisdood vind ik een ronduit twijfelachtige argumentatie.
Ik wil hierbij ook nog verwijzen naar wat Jezus zegt bij de uitzending van de twaalf: “Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls.” Mat.10 En in Mat 15 lezen we dat Jezus zegt: “Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis Israëls.” niks geen heidenen dus nog op dat moment! Cornelius is degene die in feite de EERSTE is als HEIDEN die binnentreedt! De opdracht luidde: Eerst Jeruzalem (Hd 2), dan Samaria (Hd8) en pas daarna de heidenen, te beginnen met Cornelius!! (Hd10)

SStr.:
wat mijn redenering betreft: hetzelfde geldt natuurlijk voor jouw redenatie dat Cornelius gewend was kosher te eten. En wat Matteüs10 en 15 betreft: Waarom denk je dat de Heer daarna direct Israëls grondgebied verliet om naar het door heidenen gedomineerd gebied, Tyrus en Sidon te gaan?: kennelijk om zijn genade te manifesteren in het hart van een heidense vrouw, dat voor Hem blijkt open te staan toch! Dit pleit dus eerder vóór dan tégen!

Nu naar Paulus: “Eet alles wat op de vleesmarkt wordt verkocht, zonder te onderzoeken om het geweten” 1Kor.10:23-33 (hier gaat het om de persoonlijke vrijheid van een jood en niet-jood met een sterk geloof, dat ter wille van een zwakker geloof eventueel geen gebruik maakt van die vrijheid).

Br.X
op dit punt ben ik wat onzeker wat hier nu feitelijk beoogd wordt. Dat kan betrekking hebben op al het soort vlees dat verkocht wordt, maar ook om vlees dat aan de afgoden geofferd is. Het lijkt dat het vooral om dat laatste gaat, daar dit specifiek wordt vermeld in vers 10:28 “Doch indien iemand tot u zegt: Dat is GEWIJD vlees, eet het danniet, om hem, die u dat te kennen gaf, èn om het geweten.”
Het feit dat genoemd wordt “alles wat in de vleeshal verkocht” lijkt overigens aan te duiden dat het inderdaad ruimer opgevat zou kunnen worden. Nogmaals ik ben wat onzeker over de bedoeling hiervan. Nu ben ik van mening dat de wet ook niet aan de heidenen wordt OPGELEGD als een noodzaak.
Ik geloof echter dat Gods wijze voedselinstructies ons ten goede zijn en DAAROM eren wij onze God als wij ze in acht nemen. Nee, ze behoren niet tot de 4 zaken voorschriften die de heidenen wel opgelegd werden, waar reeds naar verwezen is. De samenhang waarin dat staat is echter zeker relevant! Er staat direct na de vier genoemde punten: “ In haast elke stad wordt de wet van Mozes immers al sinds mensenheugenis verkondigd en op iedere sabbat in de synagogen voorgelezen.’
Heidenen werden geacht om de synagoge te bezoeken en daar verder onderwijs te krijgen in de Schriften en op die manier zouden ze ook horen over de spijswetten en veel andere zaken. De godvrezenden, de bijna-jood-geworden heidenen kenden deze gedachten reeds, maar nieuwe gelovigen vanuit de heidenen moesten alles nog leren en werden deze vier punten opgelegd. Hun inzicht zou vanzelf toenemen... Zo ben ik dat in ieder geval gaan verstaan! Op die wijze vierden de vroege gelovigen ook de feesten? Van Polycarpus, de martelaar uit Smyrna is bekend dat hij een dispuut had met de gemeenteleider van Rome die Pasen op een andere datum dan de Joden wilden gaan vieren, maar Polycarpus wilde dat niet. Hij wilde een verwijdering voorkomen. Helaas is de verwijdering door de eeuwen heen almaar toegenomen!

SStr.:
Omdat dit een toevoeging is op het algemeen gestelde: “koopt alles” laat het redebeleid niet toe vers 28 te beschouwen als het uitgangspunt van de strekking van dit NT voorschrift. Lees ook nog 1 Kor.8:8 “Nu zal wat wij eten, ons niet bij God brengen; eten wij niet, wij zijn er niet minder om; eten wij wèl, wij zijn er niet meer om.”
Het voorschrift voor zwakke(!) gelovigen is: “koopt alles wat in het vleeshuis wordt verkocht” (a) zonder te onderzoeken om het geweten(b).
Dit voorschrift (Torah van het NT = onderwijzing) gaat net als het visioen van Petrus ook in tegen die van het OT)
Daarom geloof ik dat Matteüs 5:17 en 18 iets anders betekend dan: de Torah van het OT is gelijk aan de Torah van het NT. Daar past geen isgelijkteken tussen!
Dat neemt niet weg overigens, dat ik wat je hierboven schrijft over de Bijbelse voedselinstructies, van harte onderstreep en hetzelfde geldt uiteraard voor de hele Tenach: Onderwijs van de bovenste plank en voor alle tijden!
En wat Hand. 15:21 betreft. Deze opmerking betekent voor mij alleen maar het genomen besluit zich te houden aan deze opgelegde beperking ongetwijfeld begrip zal opbrengen bij de niet joodse christenen om ter wille van de joodse christenen zich hiervan te onthouden. De noodzaak aan dit vers nog meer ideeën toe te voegen, lijkt mij overbodig.

Ook het volgende punt heb ik eerder genoemd: 1Tim.1:9 zegt: dat de wet niet geldt of in werking treed, of niet van kracht is voor een rechtvaardige, maar voor de zondaar (grove of nette zondaren doet er niet toe; de lijst eindigt met meinedigen en al wat verder ingaat tot de gezonde leer. Dit sluit naadloos aan bij wat Paulus in Rom 6:14 leert aan jood en heiden: Gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade (vgl.: Joh.1:16,17: de wet is door Mozes gegeven; de genade en de waardhei IS door Jezus Christus geworden); vervolgens in Romeinen hfdst. 7:1,2: weten jullie niet dat de wet heerst over de mens zolang hij leeft… maar wanneer de man gestorven is, is zij ( de vrouw) vrij van de wet die haar aan de man bond. De uitleg die Paulus hiervan in vers 4 geeft, lijkt mij afdoende bewijs om vast te stellen dat wanneer ik mij wil blijven laten gezeggen door welke wet dan ook, ik ( als gojim) schromelijk zou voorbijgaan aan het eigendomsrecht wat Christus op mij verworven heeft. Voortaan ben ik wettelijk onderwordpen aan Christus (Dat Messiasbelijdende joden blijven vasthouden aan gebruiken die rechtstreeks uit de Torah zijn afgeleid, is prima en hun goed recht zoals Paulus duidelijk maakt. Dit is kennelijk een legaal onderdeel van hun jood-zijn. maar daarop kom ik later terug).

Br.X:
ja dit vers uit 1 Tim 1:9 heeft sterke papieren, maar ook hier geldt toch de vraag vanuit welk perspectief je het leest. Ik citeer het even in het verband:
“Wij weten, dat de wet goed is, indien iemand haar wettig toepast, wel wetend, dat de wet niet gesteld is voor de rechtvaardige, maar voor wettelozen en tuchtelozen, voor goddelozen en zondaars, voor onverlaten en onheiligen, voor vadermoorders en moedermoorders en doodslagers, hoereerders, knapenschenders, zielverkopers, leugenaars, meinedigen, en al wat verder ingaat tegen de gezonde leer..."

De vraag is hier: wat betekent “wettig toepast”. Wie weet in Christus een rechtvaardige te zijn, staat niet ONDER de wet, maar onder de genade. Dat betekent m.i. dat indien wij zondigen is niet de wet onze echtgenoot, die ons in dat geval direct een “aframmeling geeft: een knalharde veroordeling” maar we zijn gebonden aan Christus, in wie wij genade ontvangen. Ik denk dat we het op dit punt helemaal eens zijn.
Maar wellicht kijken we iets anders aan tegen de betekenis van de wet, die immers goed is, waarin we ons mogen verlustigen, zoals ook David zegt in Ps 119. Maar is verlustigen dan iets wat betekent dat je er gelijktijdig wel tegenin gaat? Ik denk dat hier het verschil in denken zou kunnen liggen. Wie weet dat hij/zij niet ONDER de wet staat en er door veroordeeld wordt bij overtreding, maar weet dan genade te mogen ontvangen, kan zich werkelijk verheugen in die wet en zal zich ernaar uitstrekken om ernaar te leven. Nu is het immers geen verschrikking meer die ons wacht bij overtreding, maar Gods genade. Leven NAAR de wet maar ONDER de genade is dan ook heel wat anders dan leven ONDER de wet! Het is de liefde in ons die door de Heilige Geest de weg wijst. Ik denk dat het toepassen van gedachten uit de wet daardoor ook niet langer een EIS is. De morele wet zoals verwoord in Ex 20 erkennen we als een wezenlijk onderdeel. De practische, culturele? wetgeving over reinheid, vloeiingen, baden, sexuele onthouding bij menstruatie e.d. zal door sommigen meer of minder toegepast worden.
De KARDINALE VRAAG bij het hoe en wat op dit punt is echter of we dingen opvolgen om daardoor BEHOUDEN te worden, ja dan nee. Op dit punt behoeft geen enkele twijfel te bestaan want het antwoord daarop is volmondig NEE!

SStr.:
Fijn, dat je over Psalm 119 begint. Van alle 176 verzen is er vooral één waarin ik mij helemaal voor de volle 100% kan vinden en dat is vs. 5a: “Och, dat mijn wegen vast waren” Bij de overige 175 verzen ervaar ik vooral dat mijn hart een tegenovergestelde natuur heeft en vooral mijn eigen onvermogen om dat allemaal te beamen. Toch ervaar ik vreugde bij het lezen van deze psalm omdat deze psalm mij een blik geeft in het hart van de Messias. Ik verlang niet zozeer om de paden van de wet te betreden; ik verlang er wel naar om in de voetstappen van mijn Heer en Bruidegom te treden op de weg die ik moet afleggen en veel vrucht te dragen voor Hem, door in Hem te blijven, die – onbegrijpelijk wonder – samen met de vader in mijn hart woont en door de Geest mij in de rechte sporen leidt om zijns naam wil. Met de Heer als overste Leidsman betreedt ik de wegen van ‘de wet van Christus’ , die een toelichting, uitbreiding en verdieping is van de Mozaïsche wet. Wat heb ik als lid van zijn Lichaam , zijn toekomstige bruid, nog meer nodig dan Hemzelf, mijn Bruidegom. Is Hij soms niet méér dan de Torah, of misschien beter gezegd: Is Hij niet de belichaming van de eeuwige Torah? Wanneer Hijzelf in mijn hart woont, woont de Torah dan soms niet in mijn hart. Wanneer Vader Zoon en Geest in mijn hart wonen is dat dan inclusief of exclusief de Torah? Inclusief natuurlijk! Dat betekent voor mij, dat de Sinaïtische gestalte van de Torah voor mij heeft afgedaan en de berg Sinaï voor mij werkelijkheid is geworden . Ik ben ZONDER VREES genaderd tot BETERE dingen (Hebr.12 vanaf vers 18) Niet de letter op stenen tafelen, maar de wet van Christus (Gal6:2) is geschreven op de vlezen tafelen van mijn hart. Dat betekent dus niet dat de wet (OT) met alle inzettingen en voorschriften , niet goed of niet goed genoeg zou zijn. Die had voor ons alleen maar betekenis om ons te overtuigen van zonde, gerechtigheid en oordeel (zoals de OT.Torah Israël moest overtuigen, overtuigt vandaag de H.G.)

Terug naar de psalm: Psalm 119 is in de gereformeerde traditie t/m vandaag nog altijd een geestelijke groeiremmer. Psalm 119:3 staat nog altijd op nr. 1 van de toptien: Och schonkt Gij mij de hulp van uwe Geest. etc. ( lijkt op: Och, dat het nog eens mocht komen staan te gebeuren) In 1 op 1 gesprekken met hen, hoorde ik talloze keren dat ze hoopten behouden te zijn. Hun aarzelen heeft een duidelijke oorzaak. Wanneer ik hen vroeg of ze de Heilige Geest soms nog niet ontvangen hadden en of ze Christus wel eens hadden gedankt voor de gave van zijn Geest en hun verlossing, keken de meesten mij stomverbaasd aan: is dat dan mogelijk??? Anders dan David, verlustig ik mij dus niet primair in de wet maar in Christus, en ja, dan is zelfs de Sinaïtische gestalte een rijke bron van in de eerste plaats geestelijk onderwijs en soms tot praktische navolging.

Nogmaals 1Tim 1:9

Lukas 10:25-29 is duidelijk genoeg. Jezus zegt: ga heen en doe dat! Nu, hij kon dat niet evenmin als zijn voorgeslacht. Niemand heeft het ooit gekund, zelfs Abraham en Mozes niet. De wet ( de tijdelijke Sinaïtische Torah) heeft nooit ook maar iets positiefs kunnen doen ( de wet is de bediening van de dood) Alleen de genade van God, die vooruitzag op het offer van zijn eigen Zoon, heeft de zonden voorbij gezien van hen die ze hebben beleden toen ze een offer brachten. De wet kan alleen maar verdoemen, ook vandaag nog verdoemt de wet zoals 1 Tim. 1:9evv expliciet zegt. En Paulus zegt in alle toonaarden dat wij niet meer onder de wet, maar onder de genade zijn.

De Torah heeft verscheidene gestalten. De Thora in zijn ruimste zin moeten we niet verwarren met haar tijdgebonden en zeer beperkte Sinaïtische gestalte, ze is vervuld door en ópgegaan’ in Christus. Zij is door Mozes gegeven, maar genade en waarheid is door Jezus Christus geworden (Joh1:17) In het OT ging de wet nog gepaard met het vooruitzien van God op het offer wat gebracht zou worden. Maar sinds het offer op Golgotha is het ‘genade op genade’.Christus ‘vervulde de wet’ . Daarmee bereikte de Torah haar volle, rijke gestalte, die ver uitgaat boven haar tijdgebonden Sinaïtische gestalte die in Gal. 6:2 door Paulus “wet van Christus” wordt genoemd. Christus is de zin en de vervulling. De Sinaïtische wet wordt niet afgeschaft, nee, Christus brengt haar terug tot haar door God bedoelde VOLHEID, Hij breidt het uit en verdiept het (Mat 7:12; 22:37-40). Op deze wijze wordt de beperkte, tijdgebonden wet van Mozes verheven tot, en gaat op in de “Wet van Christus” (Gal.6:2), die op zijn beurt uitmond in het liefdegebod van Christus, zeg maar: de liefde (agapè) die in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest (Rom.5:5) en zo in onze harten geschreven heeft. En dan ook nog maar weer een keer Markus 7:19. In tegenstelling tot een van mijn opponenten, acht ik het geenszins ondenkbaar dat de conclusie van Markus, “dat Jezus hiermee alle spijzen rein verklaarde” exact betekent wat er duidelijk staat geschreven: hiermee verklaarde Hij alle spijzen rein. Wij moeten bij de bestudering van het Woord er voor waken de ene tekst niet te laten heersen over de andere. Een beetje meer denkwerk levert meestal verrassende resultaten op. Er zijn al legio uitleggers geweest die op basis van Matteüs 5:17 de mist zijn ingegaan (b.v. de Zevendedags adventisten, maar evengoed ook veel gereformeerde theologen) en van de ene dwaling naar de andere zijn gesukkeld. Zij willen persé de wet en met name de tien geboden op de een of andere manier in hun theologie inbouwen, omdat zij menen dat Jezus met deze uitspraak uitdrukkelijk een leven volgens de paden van de Mozaische Torah zou hebben bedoeld. Maar wanneer je uitgaat van Mat. 5:17, zonder eerst kennis te nemen van de geheimen die God aan Paulus heeft geopenbaard, die van de grondlegging der wereld af verborgen zijn geweest, sla je gegarandeerd de plank mis. Luister dus eerst aandachtig naar wat Paulus met name in de Romeinen- en Galatenbrief, maar ook in andere, onderwijst.

Br.X:
Nee, ik denk dat je mijn betoog over de samenhang van dit vers gewoon naast je neergelegd hebt omdat het gewoon niet past in je totaalvisie, maar dat komt omdat wij (ook binnen de Vergadering) al te vaak een Griekse bril op onze neus hebben staan en alleen in de geeikte paden lopen. Die ken ik overigens wel redelijk goed, maar ik geloof dat messiaanse joden niet zelden goeie gedachten onder de aandacht weten te brengen. Dit was er zo één! Maar verder geen punt uiteraard. We verschillen van mening op dit punt.
Ik geloof niet dat Jezus gedachten in strijd zijn met de Thora. Helemaal nergens!! Ja, uiteraard komt er een ander priesterschap en daarmee ook een andere wet. Dat ontken ik ook niet. Maar ook die nieuwe wet gaat niet in tegen de oude wet, hij is alleen beter dan het levitische priesterschap zoals de Hebreeënbrief duidelijk maakt.

SStr.:
Dat heb je goed gezien, behalve die Griekse bril. Ik kijk en lees – zo ervaar ik dat althans – met de ogen van een verliefde en nieuwsgierige kerel door de bril van de Helige Geest. Mijn visie is uiteraard sterk gekleurd door wat “de Broeders” mij hebben geleerd, waar ik heel dankbaar voor ben. Maar dat zij daarin door het Griekse denken zijn beïnvloed is helemaal nieuw voor mij. Ik ben dus erg benieuwd waaruit dat blijkt
Dat wij niet onder de wet zijn zoals die is gegeven in het OT mag voor ieder duidelijk zijn (zie Galaten 5:18: Indien gij door de Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet) Wie kan een betere leidsman zijn: de Mozaische Torah of de Geest zelf? Ook Galaten 3:25 geeft duidelijk het voorlopige karakter van de wet weer : Maar nu het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder een leermeester (de wet)

De Torah van het OT was niet in staat de jood, laat staan de heiden, te verlossen. Integendeel de Torah kan de mens alleen maar vervloeken. De Torah van het OT kan niet anders, niet omdat zij niet goed of volmaakt zou zijn, maar omdat de mens niet deugd. Met de OT. Torah is niets mis, maar met de mens is alles mis.

Zo ook in 2 Kor5:17 “Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen”. De nieuwe schepping is dus totaal verschillend van de oude (mens): een mens met een vlezen hart waarin God de vernieuwde tot volheid gebrachte Torah heeft geschreven en zijn liefde heeft uitgestort, om door de leiding en kracht van de Heilige Geest, God te verheerlijken in zijn aardse loopbaan. Niet meer de focus op de Mozaïsche wet, maar met een onbedekt gezicht, onze blik gericht op de heerlijkheid van de Heer, worden wij gaandeweg naar zijn beeld veranderd ( ondergaan wij een metamorfose) als door de Heer, de Geest (2Kor.3:18).

Br.X:
ja ik ben het uiteraard geheel eens met je op dit punt, maar voor mij gaat het niet om dit punt, zoals ik al eerder heb geprobeerd duidelijk te maken. De leefregels van de wet navolgen is geen OPGELEGDE zaak met de knoet in de buurt, maar een wil om die goede gedachten van God tot ons te nemen. Gods voedselwetten hebben ALTIJD buiten de fokus van de “broeders” gestaan. Jammer, want ze leren ons heel practische dingen die voor de meesten gewoon een blinde vlek vormen. Nu heeft de westerse samenleving op zich heel veel dingen uit de Thora overgenomen en daarom zijn ze ook tot zegen voor ons, maar de hele gezondheidszorg is gebaseerd op “eet wat je wilt, je kunt altijd wel chemische medicijnen krijgen die je probleem weer verhelpen”, maar eerlijk gezegd: het is wel de omgekeerde wereld. Gods gedachte over het voedsel voor de mens in Gen 1 heeft nooit echt fokus gehad, anders dan om te zeggen, dat we nu best vlees mogen eten (sinds Noach), maar men at het dus niet!! vóór de zondvloed!! Belangrijk om eens bij stil te staan. Wij vinden het ook allemaal heel fijn dat het gedeelte over uitwerpeselen en het schopje volledig erkend is door de wetenschap van nu, maar waarom luisteren we dan niet evenzeer naar de wijze raad om geen varkensvlees te eten. Misschien omdat we zo gehecht zijn aan dat voedsel en het lekker vinden, maar waarom leren we er niet van? Het is niet ALLEEN maar cultureel of met een verwijzing naar de reine Messias die komen zou! Een blinde vlek is wat het werkelijk is! Nou ik leg het niemand op hoor, maar het risico van ziekten wordt wel groter omdat we niet geschapen zijn om dat soort dieren te consumeren... Dat allemaal even terzijde!
eten.

SStr.:
OK. Je hebt gelijk, maar we worden allemaal beïnvloed door de tijd waarin we leven, en die tijden verschillen nogal drastisch van elkaar. Ze bepalen dus ook voor een groot deel waarop wij onze focus richten en wat wij als speerpunt van onze focus kiezen.

Is het onlogisch te veronderstellen dat Petrus hier kosher zat te eten? Petrus maakte in Antiochië gebruik van ‘de wet van de vrijheid’, zo genoemd door Jakobus (1:25) of: de Koninklijke wet.
Hier in Gal.2 brengt Paulus verschillende kwesties onder de aandacht die verband houden met valse broeders uit de besnijdenis, die ‘hen uit de volkeren’ wilden dwingen,dat ze zich zouden laten besnijden etc.. Zij wilden kennelijk de vrijheid die Paulus predikte en hier in praktijk bracht, te niet doen, zoals blijkt uit Paulus reactie. Het zou hen weer onder de slavernij van de wet brengen (zie Gal.5:1). Kennelijk begrepen zij niets van de Koninklijke wet (= de wet van Christus Gl6:2 en 1Kor.9:20) Voor de Joden ben ik als een Jood geworden om hen te winnen. Ikzelf sta niet onder de Joodse wet, maar toch heb ik me eraan onderworpen om hen die er wel onder staan te winnen. En voor hen die niet onder de Joodse wet staan, ben ik als iemand geworden die de wet niet heeft, om hen te winnen. Dit betekent niet dat ik de wet van God heb losgelaten, maar dat ik mij heb onderworpen aan de wet van Christus.)

De reden die Paulus aanvoert, waarom hij Timotheüs wel, en Titus niet besneden had is, dat hij dat NIET heeft gedaan omdat hij de valse broeders dan zou sterken in hun opvatting en daarmee de waarheid van het evangelie zou ondermijnen (Gal. 2:1-11) En in de volgende verzen ziet hij dat notabene Petrus nu door zijn gedrag zelf de waarheid van het evangelie in diskrediet brengt, door zijn bordje met treif voedsel erop (niet-kosher), waarvan hij at in gezelschap met de gelovigen uit de heidenen, opeens te te laten staan om zich van hen af te zonderen en aan te schuiven bij het tafeltje van ‘enigen van Jakobus’ toen dezen opdaagden. Petrus veroordeelt daarmee zichzelf tegen beter weten in en in strijd met het visioen, kiest hij ervoor voedsel te geven aan de ideeën van ‘die van Jacobus’, dat het niet pluis is wanneer je leeft en eet naar de wijze van de volkeren en daarmee de niet-joden dwingt om naar joodse wijze te leven. En als Paulus, die samen met Barnabas een jaar lang naar niet-joodse wijze leefden, zich hier zo sterk maakt voor de waarheid van het evangelie en de wet der vrijheid, hoe kun je dan nog veronderstellen dat hier géén sprake is van voedsel dat volgens de spijswetten onrein is?

Br.X:
Simon, je hebt nergens aangetoond dat Barnabas en Petrus of Paulus onrein voedsel aten. Ik geloof er niks van! De judaïsten was het niet alleen te doen om de wet, maar VOORAL om heel de rabbinale voorschriften die daaraan waren gekoppeld en waar Jezus tegen tekeer gaat in Mat 15 resp 23 omdat ze ertoe leiden dat geboden Gods!!! uit de Thora opzij gezet werden om maar aan die rabbinale voorschriften te kunnen voldoen.

Gal 2 maakt alleen duidelijk dat Petrus aan de judaisten toegaf door niet meer met de heidenen aan de zelfde tafel te eten. Er staat helemaal niet bij dat hijzelf onreine dieren at. De gemeenschap was echter niet gebaseerd op het eten van hetzelfde reine voedsel maar Christus als verlosser en Messias moest de basis van de gemeenschap zijn. Niet meer onder de wet zijn, betekent dan dat er geen oordeel wacht als je Gods gedachten van de Thora opzij zet of nog niet echt snapt. Christus mag ons altijd samenbrengen. DAT is de wet van de vrijheid OMDAT Christus nu ons leven is en we daarmee onder genade staan, maar dat is toch geen reden om de dingen die Gods ons geleerd heeft maar gewoon van ons af te schuiven? Dat zij verre! Hopelijk begrijp je beter dat we helemaal niet meer ONDER de wet willen leven maar de wet wel waarderen als Gods goede levensonderwijs!

SStr.:
Zoals je begrepen zult hebben, maakt Gal. 2 naar mijn overtuiging meer duidelijk dan ‘dat alleen’. Met jullie motivering is uiteraard niets mis, maar daaraan heb ik ook geen moment getwijfeld!

Br.X:
De betrokken gedeelten lezen we kennelijk anders. Ik heb de vraag over Hd 10 ook even gedropt in een messiaanse groep hier in Zweden. Niemand gelooft evenwel dat een thoragelovige als Cornelius zijn gasten niet-joods voedsel zou voorzetten. Dat is cultureel volslagen ondenkbaar. Iedere niet-Jood die in Israel leefde wist uiteraard welke strenge voedselvoorschriften golden en vooral iemand als de synagogebezoekende Cornelius.
Maar gelukkig hoeven we niet alles een gelijkluidende zienswijze te hebben.
Uiteraard ben ik het natuurlijk hartelijk met je eens als je schrijft over genade, op genade. Maar eerlijk gezegd heeft dat eigenlijk niet zo met de vraag te maken. Die hoort meer thuis in een gesprek met echte judaisten die menen dat naar de wet leven een vereiste is voor behoudenis zoals in de Galatenbrief tot uitdrukking komt. Die kwestie is wat mij betreft in het geheel niet aan de orde, voor mij niet en ik denk voor niemand binnen de messiaanse "beweging".
Bedankt verder voor je actieve deelname aan het gesprek. Dat heb ik zeker gewaardeerd.
Gods zegen toegewenst.
Shalom!

SStr.:
Tja, het zij zo.
Onze uitleg is per definitie feilbaar mensenwerk, maar de bewering: “Niemand gelooft evenwel dat een thoragelovige als Cornelius zijn gasten niet-joods voedsel zou voorzetten. Dat is cultureel volslagen ondenkbaar” gaat veel verder dan mijn Bijbel waarin Cornelius niet gepresenteerd wordt als een ““Torahgelovige” maar als een romeinse hoofdman, een rechtvaardig man en godvrezend die een goed getuigenis heeft van het hele volk der joden” Voor mij betekend dit Schriftwoord meer dan wat voor jou cultureel ondenkbaar is. Trouwens, Cornelius staat daarin niet alleen. Er zijn er vast nog veel meer geweest dan hij. In Hand. 10 vers 35 staat dat “in ieder volk degene die Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam is (vgl. Joh. 9:32; Ps.34:16; Spr. 15:39 en Rom. 2:13-16) Dus in die tijd evengoed ook onder Aboriginals en de Chinezen; Godvereerders uit culturen die op geen enkele manier in aanraking konden komen met de Torah.

Jij ook bedankt, dat je mij verzocht mijn mening over de spijswetten weer te geven
Met hartelijke groet en wees gezegend,
Simon


gerelateerde artikel: De wet of genade?