U bevindt zich hier:

Geloofsopbouw

Streuper&Streuper

Prikkels

Discussie

Zoeken naar:

Algemeen:

Startpagina

Teleurstellende discipelen

Ik wil bij voorbaat de indruk wegnemen dat ik kritiek zou hebben op de negen discipelen die de Heer onder aan de berg der verheerlijking had achtergelaten. God heeft deze geschiedenissen laten opschrijven opdat wij onszelf erin zouden herkennen en ons gedrag zouden wijzigen wanneer dat nodig is. Hij houdt ons een spiegel voor omdat Hij ons wil laten nadenken over de vraag of wij wel op de goede manier inhoud geven aan onze roeping. Daar draait immers ons hele bestaan om. Een dienaar van Christus — en dat is ieder die Hem Meester of Heer noemt —zal alles ondergeschikt moeten maken aan het doel dat de Meester met Hem heeft. Kijkt u mee in de spiegel?

De vraag of het de berg Tabor of een andere berg was waarop de verheerlijking van Christus plaatsvond, is niet zo belangrijk. Wél belangrijk is het grote verschil tussen wat zich boven op de berg en wat zich onder aan de berg afspeelt. Negen van Jezus' discipelen wachtten op de terugkeer van Jezus, Johannes, Jakobus en Petrus. De laatste drie hadden bijzondere ervaringen meegemaakt. Ze hadden een voorproefje ontvangen van de heerlijkheid van het komende Koninkrijk dat zijn hoogtepunt vond in de gedaanteverandering van de Heer, Wiens kleren blinkend waren geworden, hel wit, zoals geen volder op aarde wit kan maken. Dat was iets heel bijzonders geweest. Een grandioos moment was het, toen zij ooggetuigen waren van 'de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus'. Voor het oog van de drie discipelen ontving Christus van zijn Vader grote eer en heerlijkheid toen van de luisterrijke heerlijkheid zo'n stem tot Hem kwam: 'Deze is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden' (2Pt1:16,17). Maar terwijl deze drie een manifestatie van kracht, majesteit en heerlijkheid ontvingen, demonstreerden aan de voet van diezelfde berg de negen andere discipelen hun machteloosheid en ongeloof voor het oog van een aantal Schriftgeleerden en een grote schare omstanders. Als vertegenwoordigers van Jezus van Nazareth bleken zij jammerlijk te falen. Wat een contrast, de manifestatie vanuit de luisterrijke heerlijkheid op de berg, met die van de ontluistering van Christus' macht en heerlijkheid door zijn volgelingen onderaan de berg. Want het was toch Gods bedoeling dat 'onderaan de berg' in elk geval iets van Christus' macht en majesteit zichtbaar zou gaan worden als overtuigend bewijs dat de beloofde Messias aanwezig was in de persoon van Jezus van Nazareth. Juist om dat bekend te maken, had de Heer hen onderwezen, toegerust en uitgezonden (Mk6:6-13).

Onderaan de berg
Ik stel me voor dat het kleine groepje mannen, ieder verzonken in eigen gedachten, in vertraagd tempo de berg is afgedaald. De Heiland nadenkend over wat Hem in Jeruzalem stond te wachten en waarover Hij met Mozes en Elia een gesprek had gevoerd. En de drie discipelen nagenietend van de hemelse dingen die zij gesmaakt hadden en die zij zo graag hadden willen vasthouden. Zij hadden graag voorzieningen getroffen om alles zo te houden zoals het was. Maar dat was uitgesloten. De heerlijkheid moest wachten. Zonder 'de uitgang die Christus in Jeruzalem nog moest volbrengen (zie Lk9) kon immers nooit of te nimmer zijn Koninkrijk op aarde komen? Eens komt het grote moment dat het Koninkrijk van God zich zal baanbreker in deze wereld en de aarde vol zal worden van de kennis van de heerlijkheid van de Heer, zoals de wateren de bodem van de zee bedekken. Maar tot op dát ogenblik kan die heerlijkheid slechts gezien worden in zijn discipelen.
Voor ze er erg in hebben, zijn ze beneden aangekomen en zien ze een opgewonden menigte. Discipelen en Schriftgeleerden die met elkaar redetwisten en een vader met een zieke zoon vormen het middelpunt van de oploop. Zodra de mensen Jezus zien komen, lopen ze op Hem toe. Wat was er aan de hand? Wel, de achtergebleven discipelen kregen tijdens de afwezigheid van de Heer volop gelegenheid om de kracht en de majesteit van hun Meester te openbaren voor het oog van de Joden. Er meldde zich namelijk een vader met een maanzieke zoon. Kennelijk een geval van epilepsie. Maar wel van een heel ernstige en heel bijzondere soort. Hier wordt maanziekte namelijk, anders dan gewoonlijk, in één adem genoemd met bezeten zijn. De discipelen bleken helaas niet in staat de boze geest uit te drijven. Uiteraard tot grote teleurstelling van de vader, die zich nu rechtstreeks tot Jezus wendt. Die is inmiddels teruggekeerd. Op Jezus' vraag aan de discipelen waarover zij met de schriftgeleerden aan het redetwisten zijn, antwoordt de vader: 'Meester, ik heb mijn zoon bij U gebracht, die een stomme geest heeft. Ik heb uw discipelen gezegd dat zij hem moesten uitdrijven, en zij waren er niet toe in staat.' Daarover ging de woordenstrijd. Op zich uiteraard een boeiend onderwerp. Hoe lang was het nog maar geleden dat de Heer zijn discipelen twee aan twee uitgezonden had en zij vertrokken waren om te prediken dat men zich moest bekeren en zij demonen hadden uitgedreven, zieken met olie hadden gezalfd en velen hadden genezen? Stuk voor stuk allemaal bewijzen dat het Koninkrijk van God nabijgekomen was! Waar blijven nu opeens de tekenen van het zich baanbrekende Godsrijk? Al was de Meester Zelf dan niet persoonlijk aanwezig, zouden de discipelen als zijn vertegenwoordigers niet in staat moeten zijn dezelfde werken te doen als hun Meester? Waarom bevrijden zij die maanzieke zoon dan niet van zijn duivelse kwelgeest? Toen de vader er met zijn zoon op uit was gegaan om hem bij Jezus te brengen, vond hij wel de discipelen maar Hemzelf niet. Maar dat maakt toch niets uit! Wat Hij kan, moeten zij toch ook kunnen! De Here Jezus is diep teleurgesteld. Hij richt Zich tot alle aanwezigen. Tot de discipelen evengoed als tot de Schriftgeleerden, alsook tot de hele schare: '0 ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen?' Het feit dat Jezus zijn discipelen hier over één kam scheert met Schriftgeleerden, is veelzeggend.

Oorzaak van het falen van discipelen
In het Mattheüsevangelie zegt de Heer tegen de discipelen dat hun kleingeloof de oorzaak is van hun falen. Trouwens, ook daar noemt hij hen 'een ongelovig geslacht'. Het 'ongeloof' van de discipelen onderscheidt zich uiteraard in zeker één opzicht van dat van hun tegenstanders. Zij geloofden dat Hij de Zoon van God was en de anderen geloofden dat niet. Dat is zeker een niet te verwaarlozen verschil. Maar dat verschil in geloof moet wel zichtbaar worden in de werken. En dát mankeerde eraan. Hun geloof bleek niet uit hun daden. Niet dat ze Christus niet oprecht beleden. Ze zullen echt wel onder aanroepen van zijn naam getracht hebben de demon uit te werpen, maar het resultaat bleef uit. Ze zullen heus wel goede dingen over hun Meester hebben gezegd die nog waar waren ook, maar dat werkte allemaal niets uit. Gebrek aan geloof en verwaarlozing van het gebed waren de oorzaken van hun falend getuigenis. Daarom viel niet te onderscheiden wie van die schare onder aan de berg gelovig

Als u kunt?
Gelukkig voor hem en zijn maanzieke zoon, kan de vader zich nu rechtstreeks tot de Here Jezus wenden. Wanneer hij de vreselijke toestand heeft beschreven, waarin zijn zoon zich bevindt, zegt hij: '...maar als U iets kunt, wees met ontferming over ons bewogen, en help ons.' Daarop antwoordt Jezus hem: 'Als u iets kunt? — alle dingen zijn mogelijk voor hem die gelooft.' Het antwoord van de Heer aan de vader geeft aan dat er niets te bedenken is dat Hij niet voor hem zou kunnen doen. En Hij wil het ook doen. Het hangt nooit af van jezus' almacht, maar van de mate waarin wij iets van Hem verwachten. De vader grijpt zich twijfelmoedig met beide handen stevig vast aan de reddingsboei van Jezus' almacht: 'Ik geloof!' riep de man meteen, 'kom mijn ongeloof te hulp!' In deze ontboezeming zit iets tegenstrijdige. Hij heeft de diepte van zijn eigen nood en hulpbehoevendheid gepeild en wordt nu heen en weer geslingerd tussen geloof en ongeloof, tussen hoop en wanhoop, twijfel en vrees. Maar desondanks klemt hij zich met alle vezels van zijn ziel en met de moed der wanhoop vast aan jezus' almacht en bereidheid hem te helpen. Dát is geloof! Wat een beschamende les voor de redetwistende discipelen. En dan te bedenken, dat wanneer je van dat soort geloof maar een heel klein beetje hebt — iets ter grootte van een mosterdzaadje — je al bergen kunt verzetten!

En toen Hij in huis was gegaan
Thuisgekomen hebben de discipelen jezus gevraagd: 'Waarom konden wij hem niet uitdrijven' (Mk9:28)? We hebben over het antwoord dat de Heer hun gaf samen al nagedacht. Maar hoe, vraag ik mij af, zal het bij ons zijn, wanneer wij straks 'thuis zullen komen'? Dat kan elk ogenblik gebeuren. Wij bevinden ons in een vergelijkbare situatie als de discipelen toen. Met dit verschil, dat wij ons beurtelings 'op de berg' bevinden. In onze samenkomsten (maar hopelijk nog veel vaker buiten de samenkomsten om, want wanneer het beperkt blijft tot die gelegenheden zit er iets goed scheef) doen we soms 'berg-ervaringen' op en komen we onder de indruk van de heerlijkheid van onze Heiland die de Vader ons in zulke ogenblikken toont. Maar tonen wij aan de voet van de berg, op onze beurt, ook de heerlijkheid, de kracht en de majesteit van jezus Christus, onze Heer? Wij hebben wel die roeping. En ook de middelen. En ook de mogelijkheden. En ontvangen nog steeds volop gelegenheden om in de nood van hen die de Heer op onze weg brengt, te voorzien. Die nood van de wereld, van de volkeren en van mensen rondom ons, is onvoorstelbaar groot. De bezeten, al schuimende en stuiptrekkende wereld, verschijnt elke dag op het televisiescherm. We nemen er elke dag kennis van. Wat is ons antwoord daarop? Bezitten wij het geloof zo groot als een mosterdzaadje? Komen wij ook vérder dan de discipelen onderaan de berg? Of blijven we steken in allerlei discussies over heel interessante onderwerpen met allerlei schriftgeleerden met allemaal verschillende inzichten? Allemaal heel interessant, heel boeiend. Maar de wereld wordt er geen cent beter van en de Heer stellen we teleur!
In mijn hart leven nog een heleboel vragen waarop ik tot nu toe geen antwoord weet, en die zo lang ik leef misschien onbeantwoord zullen blijven. Straks, wanneer ik 'thuiskom', zal ik de gelegenheid hebben mijn onbeantwoorde vragen aan de Heer te stellen. Bijvoorbeeld: 'Hoe komt het dat er zoveel verdeeldheid onder ons is?' 'Waarom is er zo weinig geestelijke groei en zo weinig volwassenheid in het geloof?" zo weinig groei in aantal? enz. Ik vrees, dat ik wel eens ongeveer hetzelfde commentaar te horen kan krijgen als weleer de discipelen: 'Dat komt, doordat je praktische geloof niet of nauwelijks uitstak boven dat van het "ongelovig geslacht" waartussen je leefde. Wat heb Ik je lang moeten verdragen en wat een geduld met je moeten hebben. je geloof was meestal kleiner dan een mosterdzaadje, en zonder bidden — echt bidden in het volle bewustzijn van mijn onbeperkte almacht en je eigen onmacht — is elke onderneming of activiteit tot mislukken gedoemd'. q

Henri Nouwen had gelijk toen Hij het volgende opmerkte:

"Het is net zo belangrijk de juiste vragen te vind