U bevindt zich hier:

Geloofsopbouw

Streuper&Streuper

Prikkels

Discussie

Zoeken naar:

Algemeen:

Startpagina

Het vurigste begeren

Met sterke uitdrukkingen moeten we zuinig omspringen, anders verliezen ze hun zeggingskracht. Paulus gebruikt
ze in zijn brieven wanneer hij overweldigd wordt door de
kracht en het gewicht van de dingen die hij ter sprake brengt.
Maar we vinden ze ook in de Evangeliën. Zo bijvoorbeeld bij
Lukas. Met een paar halen van zijn pen schildert hij de indruk-
wekkende gebeurtenissen die zich buiten en binnen de opper-
kamer afspelen.
1

Het is zijn afscheidsfeest, zijn laatste maaltijd met zijn discipelen.
Lk22:1-38 is als een panorama-schildering waarin hij de personages groepeert rondom de Here Jezus. Ik wil proberen een paar details aan te wijzen. In de eerste plaats vallen twee buitengewoon sterke uitdrukkingen op, die Lukas optekende uit de mond van onze Heiland. De eerste vindt u in vs15: 'Ik heb vurig begeerd (letterlijk: Ik heb begeerd met begeren) dit Pascha met u te eten, voordat Ik lijd.' De tweede staat te lezen in vs31: 'De satan heeft dringend verlangd u [allen] te mogen ziften als de tarwe.' Deze laatste uitdrukking, 'heeft dringend verlangd' (TELOS), is de vertaling van een Grieks woord, dat maar eenmaal in het N.T. voorkomt. Het is een versterking van 'dringend vragen of eisen'; eigenlijk 'zeer dringend eisen'. Alsof de Heer het wilde reserveren om ons met de allermeeste klem te waarschuwen voor Satans ene oogmerk en doel: ons te ziften als de tarwe.
Buiten staat, even voor het Paasfeest, een groep mensen te beraadslagen. Het zijn de overpriesters en de schriftgeleerden die overleggen hoe ze Jezus om zullen brengen zonder problemen met het volk te krijgen. Iets verderop staat nog een kleiner groepje; een paar overpriesters en hoofdlieden onderhandelen
met Judas over het verradersloon en overleggen hoe, wanneer en waar ze Hem in de val kunnen lokken.
Op de dag van de ongezuurde broden waarop het Pascha gevierd moest worden, staat, binnen in de opperzaal, de tafel feestelijk gedekt, met daaromheen de aanligbanken. De Here Jezus gaat met zijn discipelen het Paasfeest vieren. De discipe-
len zijn druk met elkaar in gesprek. Zo nu en dan lopen de emoties hoog op. Zonder dat Lukas dit expliciet noemt, valt uit hetgeen gezegd wordt, af te leiden dat er ook nog anderen in het vertrek zijn: ongenode gasten. Het zijn schimmige demonische machten die vurige pijlen afschieten op de zich van de prins geen kwaad wetende discipelen.
En dan tenslotte Degene om Wie alles draait, het allesbeheersende beeld van de Meester Zelf. Het gaat om Hem. Het is zijn afscheidsfeest, zijn laatste maaltijd met zijn discipelen. Het Pascha moet een andere inhoud krijgen, symboliek moet wijken voor de realiteit. Het tijdstip is aangebroken waarop niet een gaaf, mannelijk, eenjarig stuk kleinvee van de schapen of de geiten, maar het Lam van God Zelf zal worden weggeleid om geslacht te worden. Vrijwillig geeft Hij Zich over om Zichzelf als een schuldoffer te geven, opdat anderen in vrijheid zullen kunnen gaan. De Rechtvaardige gaat de ongerechtigheden van de onrechtvaardigen dragen om hen te maken wat ze niet zijn, en in eigen kracht nooit kunnen worden: rechtvaardig! Hij staat op het punt het verzoeningswerk te volbrengen en verlangt ernaar om alvast samen met zijn discipelen het feest van de overwinning, zijn overwinning, te vieren. Met hen wil Hij vooruitgrijpen naar het ogenblik dat Hij de vruchten van zijn moeitevolle arbeid zal zien tot verzadiging toe (Js53:11). Om de vreugde die vóór Hem lag, straks te kunnen genieten, moest Hij eerst naar Golgotha. Daarna kan het echte feest van Pascha beginnen. Aan het feest van het 'voorbijgaan' — want dat betekent het woord Pascha — gaat vooraf een weg van vernedering en smaad, van het diepste lijden en de grootste smart. Maar Christus' verlangen om het kostbaarste bezit, zijn Gemeente, te verkrijgen, won het van de vrees en angst en alle andere verschrikkingen om deze weg te gaan. Als vuurvlammen des Heren, zo onverbid-
delijk was zijn liefde voor ons, die Hem ertoe bracht zijn lichaam voor ons te geven en zijn bloed voor ons te vergieten (zie vs19,20). De Heer gaat zijn eigen dood 'vieren', samen met zijn discipelen. Zoals Hij straks ook de lofzang zal inzetten om niet alleen zijn eigen marteldood maar ook zijn overwinning te bezingen: 'Mijn geloften zal ik de Here betalen ( ... ) kostbaar is in de ogen des Heren de dood van zijn gunstgenoten' (Ps116:14,15). Maar ook: 'Ik zal niet sterven, maar leven ( ... ) De Here heeft mij zwaar gekastijd, maar aan de dood heeft Hij mij niet overgegeven', en: 'Dit is de dag die de Here gemaakt heeft; laten wij juichen en ons daarover verheugen' (Ps118:17,18 en 24). Dit zijn maar enkele regels uit 'de lofzang'
(Ps116, 117 en 118), die de Heer en zijn discipelen zongen ter afsluiting van het Pascha. U moet ze straks nog maar eens rustig nalezen en op u laten inwerken, terwijl u zich de woorden blijft herinneren van Hem, die gezegd heeft: 'Ik heb met begeren begeerd dit Pascha met u te eten, voordat Ik lijd.' Met die woorden schuift Hij de gordijnen voor het raam van zijn hart opzij om ons er een blik in te gunnen. Maar wie is in staat om te beschrijven wat je dan ziet? Niemand toch!
En wanneer wij nu, met de Heer in ons midden, het 'Pascha' vieren, denken wij terug aan Christus' lijden en sterven én aan zijn glorieuze overwinning over Satan, zonde en dood. Maar ook grijpen wij vooruit naar het ogenblik waarop de vruchten van Christus' werk zichtbaar zullen worden en zijn heerlijkheid de nieuwe schepping tot de uiterste hoeken zal vervullen. Want er is al weer een nieuw 'Pascha' op komst. Immers, de huidige hemel en de aarde waarop wij nu nog wonen, zullen voorbijgaan. Daar is het wachten op! Daarnaar zien wij met Christus verlangend uit. Begerend met begeerte?

Vurig begeerd — dringend verlangd
In Lk22:15 resp. 31 staan de uitdrukkingen 'vurig begeerd' en 'dringend verlangd'. Ze komen uit dezelfde mond. De eerste uitdrukking zegt iets over de wens van de Here Jezus, de tweede over wat de satan het liefst zou willen bereiken. Het avondmaal, bestaande uit
'brood en beker' is een veelbetekenend symbool. Ten eerste van het moeitevolle plaatsvervangend lijden van onze Heiland en ten tweede van de resultaten ervan. Wat het eerste betreft: het gebroken brood spreekt van Christus' lichaam dat Hij voor ons gegeven heeft. De wijn spreekt van zijn voor ons vergoten bloed. Wat het tweede betreft: het ene brood spreekt van de gemeenschap die alle gelovigen samen met elkaar vormen als lichaam van Christus, een gemeenschap die gegrondvest is op het bloed dat voor ons is vergoten. Paulus schrijft: 'Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam, want wij allen nemen deel aan het ene brood' (zie 1Ko10:14-17). Of, om een ander beeld te gebruiken, de Gemeente van God bestaat uit mensen die als afzonderlijke leden samengevoegd zijn tot één lichaam: het Lichaam van Christus. Christus verlangde ernaar deze Gemeente te vormen. Dit te bereiken was één van de belangrijke elementen van 'de vreugde die vóór Hem lag' en een geweldige drijfveer om het werk te volbrengen.
Maar daar staat tegenover het 'dringend verlangen' van Satan om, zoals de Heer tegen Simon zegt, 'u [allen] te mogen ziften als de tarwe' (vs31). Wat de Heer 'vurig begeerd' heeft samen te voegen wil Satan, gedreven door een 'sterk dringend verlangen' uiteendrijven! Hij wil discipelen van elkaar scheiden om hun de zegen van het gemeenschappelijk deelhebben aan het heil te ontroven en verwarring en tweedracht onder hen te zaaien zodat ze verstrooid worden. Wie in dit al eeuwen durende duel de grote overwinnaar zal blijken te zijn, is geen vraag, daarover is de Bijbel duidelijk. Christus' opstanding is daarvan de garantie. Toch wint de satan dan hier en dan daar de ene na de andere veldslag. Niemand kan dit ontkennen. Dat wordt al duidelijk tijdens de instelling van het Avondmaal. Maar dat deze 'overwinningen' hem in de schoot geworpen worden door 'discipelen die met Christus 'het Pascha vieren', is meer dan beschamend voor hen.





Het dringendste verlangen

De satan had ook een zeer dringend verlangen, namelijk om Simon Petrus ten val te brengen...
En er ontstond ook strijd.
We gaan samen maar weer naar boven, naar de opperzaal van 'Lukas tweeëntwintig' om onze cursus discipeltraining te hervatten. Het zijn maar enkele snapshots die nu aan de beurt komen. Ze laten ons zien hoe dringend nodig het is dat we ons bekeren. De discipelen zijn zo te zien een gemakkelijke prooi voor Satan. Het strijdpunt 'wie van hen wel de grootste mocht zijn' - eens begonnen in de opperzaal - is tot op heden nog nooit tot zwijgen gebracht. En dat terwijl het recept dat onze Meester gaf, toch heel simpel is. Namelijk: te worden zoals Hij, die in het midden van de discipelen is als één die dient (vs27). Wanneer we allen dit advies vanavond nog opvolgen, worden alle strijdbijlen morgen al begraven. Het geschilpunt, wie van hen de eerste is, heeft vele varianten, zoals: wat is de meest schriftgetrouwe kerk of geloofsgemeenschap? Wie heeft de zuiverste uitleg van 1Ko11,12 en 14 (met de uitleg van 1Ko13, het hooglied van de liefde, hebben we geen moeite; hooguit hapert er zo nu en dan iets met de toepassing ervan...?), enz. Dat de discipelen hiermee bezig waren in de opperzaal en wij deze twistverwekkende gewoonten van hen hebben overge-
nomen en sindsdien in stand weten te houden, bewijst dat Satans strategie nog altijd succesvol is en wij hardleerser, eigenwijzer en eigengereider zijn dan de discipelen destijds. Hierdoor bewijzen wij weinig - of moeten we zeggen geen - oog te hebben voor de wensen van de Heer. We kunnen ons als een pitbull vastbijten in onze persoonlijke opvattingen over tal van onderwerpen en uitleggingen van Gods Woord. En dan menen we ook nog dat we strijden voor het geloof en voor de eer van God, zonder ons af te vragen of we niet veeleer eigenbelang en eigen eer najagen en daarmee de naam van onze Heer en Heiland lasteren. Wanneer wij niet de bereidheid hebben om alles wat ingaat tegen het gebod van onze Meester schade en drek te achten, bevorderen wij Satans belangen meer dan die van Christus. Wij geven er dan blijk van dat Satans invloed op ons groter is dan ons verlangen open te staan voor 'het vurig begeren' van de Heer. Wanneer wij niet de bereidheid hebben onze opvattingen en uitleggingen ondergeschikt te maken aan het gebod van de Heer dat wij elkaar moeten liefhebben zoals Hij ons heeft liefgehad, zijn wij Christus ontrouw en ongehoorzaam. Wanneer wij weigeren ons te onderwerpen aan het gebod dat de Heer ons heeft gegeven, dwarsbomen wij de wil van God en miskennen wij de rechten van de Heer. Ik heb het over het ondergeschikt maken, niet over het opofferen ervan. Er is heel veel waarin wij door onze voorgangers zijn onderwezen, dat onopgeefbaar is. Het heeft ons geloofsleven verrijkt en dat doet het nog steeds. Heel veel ervan kunnen we met anderen delen. Maar wanneer niet-fundamentele inzichten tegenspraak bij anderen uitlokken of frontaal botsen, mag dit nooit een reden zijn om erover te twisten, wel een oorzaak om goed naar elkaar te luisteren met de bereidheid te willen leren, weerlegd te worden of te worden verbeterd. We zullen samen in hetzelfde spoor onze geloofswandel moeten voortzetten in het vertrouwen dat vroeg of laat de Heer Zélf een en ander zal verduidelijken. Maar ook wanneer dat niet gebeurt, blijft het onze opdracht de eenheid van de Geest te bewaren in de band van de vrede. Niet in de traditionele voetsporen van onze vaderen. Wél in de voetstappen van hun geloof.

Dienende liefde
Dat liet in de opperkamer misging met de discipelen, ondanks het zojuist ontvangen gebod van de Heer dat ze elkaar moesten liefhebben (Jh13:34), is jammer. De Heilige Geest was echter nog niet uitgestort! Maar voor ons, in wier harten de liefde van God is uitgestort door de Heilige Geest, is moeilijk nog een excuus aan te voeren.
Het Woord zegt dat God liefde is. Hoe weten wij dat? Wanneer God niet zijn eigen Zoon had gegeven, was er minder reden geweest dit te geloven. De Bijbel zegt dat Christus ons heeft liefgehad. Hoe weten we dat? Wanneer Hij Zich niet voor ons had overgegeven op het kruis, hadden we daar best wel vraagtekens achter kunnen zetten. Maar nu God zowel als Christus door woord en daad hun liefde hebben bewezen, is er geen reden meer daaraan te twijfelen.
Soms zeggen en zingen wij dat wij God en Christus liefhebben.
Heb ik, hebt u God lief? In een vorig artikel heb ik geschreven over het grootste wonder — met heel je hart te kunnen zeggen: 'Ik heb u lief!' Maar die liefde moet wel ergens uit blijken. En dat blijkt niet uit de aanbiddingsdienst; ook niet uit onze drukke bezigheden in het koninkrijk van God, of onze toewijding aan het werk van de Heer en evenmin uit het schrijven over liefde. Het blijkt allereerst uit de toewijding aan leden van de familie van God. Het blijkt, wanneer wij elkaar liefhebben met de liefde van Christus, ook wanneer sommigen van hen zich jegens ons gedragen als tegenstanders. Christus wil ons leren zó met elkaar om te gaan als Hij dat deed. En dan zwijgen we nog maar even over de liefde voor onze naasten die verloren dreigen te gaan! Kunnen wij eigenlijk wel bewijzen dat wij God liefhebben? Wanneer van iemand gezien kan worden dat hij de belangen van zijn broeders en zusters de voorrang geeft boven zijn eigen wensen en verlangens, dan eerst kan men gevoegelijk aannemen dat hij God liefheeft. Dát alleen is overtuigend bewijsmateriaal.
Ik heb echter voor jou gebeden Wanneer heeft de Heer speciaal voor Simon gebeden? Natuurlijk weet ik dat niet zeker. Maar ik veronderstel (heel voorzichtig) dat de Heer dat deed, toen de discipelen (en vooral Petrus?) zo druk met zichzelf bezig waren en geen oog hadden voor het 'vurig begeren' van de Heer. Misschien heeft de Heer toen bezorgd gekeken en gedacht: wat moet dat nog worden?, en gebeden: 'Vader, laat het geloof van Petrus alstublieft niet ophouden!' Zulke twistgesprekken deugen nergens toe. Erger nog: zij ondermijnen het persoonlijk geloof en brengen velen tot vertwijfeling! Zo heel nadrukkelijk komt het uit de mond van de Heer: 'Simon, Simon, zie, de satan heeft dringend verlangd u allen te mogen ziften als de tarwe; Ik heb echter voor jou gebeden dat je geloof niet zou ophouden.'
Het lijkt er inderdaad op, dat Simon zich heeft laten gaan tijdens het twistgesprek. Had de Heer hem niet geprezen toen hij zo'n kernachtige en zuivere belijdenis had uitgesproken en dat toen beloond door hem de sleutels van het koninkrijk der hemelen toe te vertrouwen? Het is maar een veronderstelling, maar óók gebaseerd op het feit dat de Heer Zich speciaal tot Simon richt en de nadrukkelijke beklemtoning van diens oude naam: Simon,
Simon; en de mededeling dat Hij juist voor hém had gebeden dat zijn geloof niet zou ophouden. Liep hij niet veel te hard van stapel? Wanneer men boven de maat van zijn geloof uitgaat, is er sprake van vleselijke ijver die tot zelfoverschatting leidt. Het vlees verdringt dan hoe langer hoe meer het geloof en blust de Geest uit om zichzelf te verheffen. Men leeft dan niet meer door het geloof, maar door de routine van het vlees! Wat is het goed, te bedenken dat de Heer, ook wanneer wij op het vlees vertrouwen, voor ons persoonlijk bidt tot God. Maar moet ikzelf dat gebed ook niet 'verhoren'?
En jij, als je eens bekeerd bent Moet Petrus zich nog bekeren? Heeft hij zich niet al bekeerd bij de wonderbare visvangst (Lk5), toen hij zei: 'Heer, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens'? Jazeker, Petrus bleek toen al bekeerd te zijn. We kunnen echter gemakkelijk weer terugvallen in onze oude levensstijl toen wij geen rekening hielden met Gods gebod. En wanneer dat gebeurt, moeten we onder belijdenis van onze zonden ons daarvan bekeren. Bij Petrus blijkt dat drie jaren van omgang met en onderwijs van de Meester geen garantie is voor echt radicale levensvernieuwing. In ieder geval niet voldoende om het weerbarstige hart van Petrus zodanig om te vormen dat de Geest van Christus er alle ruimte kreeg. Het vlees won het bij hem dikwijls van de geest. Hij moest zich bekeren van dingen die hijzelf (nog) niet inzag, maar waarvan de Heer hem duidelijk wil maken dat ze een slagboom vormen voor een effectieve dienst aan zijn broeders. 'Wanneer je eens bekeerd zult zijn, versterk je broeders!' Zonder bekering hoef je niet te proberen iets voor je broeders te betekenen. Iedere dienstknecht die zich groter waant dan de andere dienst-knechten, diskwalificeert zichzelf. Maar wie de minste wil zijn en bereid is om te dienen, is bruikbaar voor de Meester om anderen te versterken. Is dat ons dringendste verlangen? q