Tekstversie

U bevindt zich hier:

Geloofsopbouw

Streuper&Streuper

Prikkels

Discussie

Zoeken naar:

Algemeen:

Startpagina

Het loon van een profeet

S. S T R E U P E R

De langverwachte dag is eindelijk aangebroken. De nacht van smarten is voorbij. Een nieuwe ochtend gloort. Het stralende licht van de Zon der gerechtigheid komt op en beschijnt de onafzienbare drommen mensen, die het koninkrijk van God en Zijn Christus binnen komen stromen. De grenzen van dat rijk zijn wijd open gegaan.

Een schare uit de volken, die niemand tellen kan
Zij hebben, evenals het gelovig overblijfsel uit Israël, bloot gestaan aan de wreedste en verschrikkelijkste vervolgingen aller tijden. Angst om bij de grenzen van dat rijk als ongewenste vreemdelingen teruggezonden te worden is niet nodig. Het 'asielbeleid' van het zojuist aangetreden koninklijk gezag is helder en klaar. Misverstanden en beoordelingsfouten zijn uitgesloten. De Joden dragen een zegel op hun voorhoofd (Openb.7:3;9:4) en de niet-Joden zijn gekleed met lange witte kleren, die wit gewassen zijn in het bloed van het Lam (Openb.7:9,13,14).
En Hij die op de troon zit zal zijn tent over hen uitbreiden. Zij zullen geen honger en geen dorst meer hebben en de zon zal op hen geenszins vallen, noch enige hitte; want het Lam dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen leiden naar bronnen van levenswateren, en God zal elke traan van hun ogen afwissen (Openb.7:15-17). Het doorstane leed is voorgoed
86voorbij. Komende uit alle windstreken der aarde, uit elke natie en geslachten en volken en talen, staan zij nu voor de troon en voor het Lam en met palmtakken in hun handen als overwinningstrofeeën. Gods rijk is aangebroken. Het rijk waarover godsdienstige Joden hun hadden gesproken. Het rijk waarover dezen niet konden zwijgen al werden ze nog zo — zelfs tot aan de einden der aarde! — verdrukt en vervolgd. Naast God hadden zij het aan deze predikers te danken, dat zij in plaats van in de eeuwige straf, zullen gaan in het eeuwige leven samen met het gelovig overblijfsel van Israël. Zij hadden gehoor gegeven aan de oproep: 'Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen' (vgl.Matth.3:2; 9:35;10:7;24:14).
Het gelovig overblijfsel van Israël Tussen Christus' hemelvaart en zijn terugkeer ligt een lange moeilijke weg voor de Joden. Maar de allerzwaarste periode zal komen te liggen tussen de opname van de Gemeente en Christus' weder-
komst mèt zijn Gemeente, en met name voor het gelovig overblijfsel uit Israël. Maar gedurende deze ure der verzoeking, waarin de oordelen van God losbreken zoals die beschreven worden in Openb.6 en tijdens welke vele gelovige martelaren gedood zullen worden, zijn er 144.000 Joden die God heeft verzegeld voordat de aarde en de zee beschadigd zouden worden (Openb.7:3). God zal dezen bewaren gedurende de grote verdrukking en hen daarna in het bezit stellen van hun aardse erfenis, het beloofde land, waarvan de grenzen vanaf de grondlegging der wereld door God zijn vastgesteld en nog heel wat ruimer zullen blijken te zijn dan Shamirs 'groot Israël'. En het zijn deze Joden, of in ieder geval profeten uit deze groep, die het evangelie van het Koninkrijk hebben verkondigd aan Jood en heiden.

De evangelie-opdracht
Het tiende hoofdstuk van Mattheüs verhaalt ons de uitzending van de twaalf discipelen door hun Meester. Ze moesten binnen de eigen landsgrenzen naar de verloren schapen van het huis van Israël gaan om te prediken dat het koninkrijk der hemelen was nabijgekomen (vs.1~15). Uit de verzen 18 en 19 volgt, dat de prediking niet beperkt zal blijven tot Israël, maar over de grenzen van hun land en de genadetijd, waarin wij nu leven, heen reikt tot aan de grote verdrukking, waardoor het gelovig overblijfsel van Israël zal moe ten gaan voordat het koninkrijk van de toekomende eeuw zal aanbreken en Christus zal zijn gezeten op de troon van David. Tot vs.25 lezen we over verdrukkingen en vervolgingen die er zullen zijn voordat de Zoon des mensen zal komen. Vandaar, dat vs.26 begint met: 'Weest dan niet bang.' De vervolgers zullen wel de lichamen kunnen doden, maar ze hoeven niet bang te zijn. De discipelen worden opgeroepen en vermaand om Hèm te vrezen, die zowel ziel als lichaam kan verderven in de hel. Een onverschrokken belijder zal Christus ook belijden voor zijn Vader, maar die Hem verloochent, zal Hij ook verloochenen. Vervolgens lezen we tot vs.39 dat het gevaar niet alleen van buiten komt, maar zelfs van binnen, uit de vertrouwde en beschermde omgeving van de eigen familiekring. Hun eigen huisgenoten zijn niet meer te vertrouwen. Het is òf het kruis van de zelfverloochening opnemen en Christus navolgen — je hebt dan bij wijze van spreken geen 'leven' meer en loopt zelfs het risico als martelaar te zullen sterven, maar daar staat tegenover dat je 'het eeuwige leven ingaat' — òf je probeert het vege lijf te redden door je te onderwerpen aan het gezag van 'het beest', met als gevolg het missen van het eeuwig leven en het gaan in de eeuwige pijn. De opdracht in Matth.10:5vv. het evangelie van het koninkrijk te prediken wordt aan het einde van hetzelfde evangelie nog eens herhaald (28:19): 'Gaat dan heen, maakt alle volken tot discipelen...' Het is een opdracht die, in zijn algemeenheid gesproken, voor de evangelisten die in de grote verdrukking zullen optreden, heel wat moeilijker zal zijn dan in onze tijden.
Door hun trouw aan het evangelie halen de Joden zich de haat en de vijandschap op de hals van de hele wereld. Wanneer de heer des hui-zes Jezus Christus in zijn dagen Beëlzebul werd genoemd, hoeveel te meer dan zijn huisgenoten (vs.25). De Joden die de Messias verwachten en prediken dat zijn komst nabijgekomen is, verkeren straks als lammeren onder de wolven. Zij vormen een kleine, verstrooide, weerloze kudde. Zij zullen doorlopend op hun hoede moeten zijn, voorzichtig als de slangen, oprecht als de duiven. Toch zullen ze niet schromen zich duidelijk te profileren als profeten en rechtvaardigen, discipelen van de Messias en verkondigers van het Koninkrijk Gods dat het koninkrijk van de heersende antichrist zal wegvagen. Geen wonder dat ze als het uitvaagsel der wereld ronddolen over de aaide, maar tegelijkertijd zijn zij de beminden van de grote Koning die staat te komen. Zij zijn van Hem; zijn oogappel. Het oog van hun Meester is ononderbroken op hen gericht. Hij waakt over hen. De haren van hun hoofd zijn alle geteld en zij gaan vele musjes te boven. Kostbare
88beloften heeft Hij hun gegeven om hen te bemoedigen.

Wie u ontvangt
'Wie u ontvangt, ontvangt Mij en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij heeft gezonden' (vs.40). Een hechtere verbondenheid als deze vereenzelviging is onmogelijk. Met wat een gezag en volmacht klinkt het evangelie uit de mond van een Godsgezant! Wanneer de boodschap wordt verworpen, verwerpt men met de boodschap een drievoudig getuigenis: dat van de boodschapper, dat van Christus en dat van Hem die Christus heeft gezonden. Hoe zal zo iemand ooit Gods koninkrijk kunnen beërven? Onmogelijk! Wie de boodschap afwijst, wijst Christus Zelf èn wijst God af. Tegenover de mogelijkheid dat de boodschap verworpen kan worden staat de mogelijkheid dat iemand een profeet ontvangt in naam van een profeet (vs.41). Anderen vertalen: 'Wie een profeet ontvangt als een profeet.' De uitdrukking houdt in dat de verkondiger die zegt een profeet te zijn ook inderdaad voor een profeet gehouden wordt en men zijn boodschap aanvaardt als Gods Woord. Aan hen mag de profeet de belofte doorgeven dat zij hetzelfde loon zullen ontvangen als aan hen is beloofd, namelijk: het loon van een profeet (of: een rechtvaardige). Maar deze keuze houdt ook in dat zij voortaan hetzelfde lot moeten verduren met de profeten. Ook voor hen gaat het lijden vooraf aan de heerlijkheid. Wellicht zijn zij het die in vs.42 'kleinen' worden genoemd.

Een bijzondere beloning
In vs.41 ging het over een profeet in naam van een profeet en een rechtvaardige in naam van een rechtvaardige en nu in vs.42 over één van deze kleinen in naam van een discipel. Wanneer we hier als i.p.v. in naam van lezen, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat we bij 'deze kleinen' inderdaad moeten denken aan hen die de verkondigers van het evangelie van het Koninkrijk tot discipelen gemaakt hebben in overeenstemming met hun opdracht (Matth.28:19).
En met het oog op dezen stelt de Heer een bijzondere beloning in het vooruitzicht: 'Wie één van deze kleinen slechts een beker koud <water> te drinken zal geven in naam van een discipel, voorwaar, Ik zeg u, hij zal zijn loon geenszins verliezen' (vs.42).
Wel, laten we ons eerst afvragen wat dat heel kleine beetje water betekent. In de eerste plaats betekent het voor de vervolgde discipel een ware lichamelijke verkwikking. Maar ook een geestelijke verkwikking, omdat het een belangrijke aanwijzing voor hem is, dat zijn getuigenis als discipel vrucht heeft gedragen voor Gods Koninkrijk. Echter, dat beetje water is niet alleen een lichamelijke en geestelijke verkwikking voor de discipel, het is vooral een verkwikking voor de Heer Zélf. Hij ziet zo graag dat het geloof samenwerkt met de werken (Jak.3:22). Dat ene bekertje water is een liefdedaad die voortkomt uit het geloof als resultaat van het getuigenis van een geringe, eenvoudige, maar trouwe discipel. Immers, zonder geloof is het onmogelijk God te behagen (Hebr.11:5). En zo'n daad zal de Heer nooit vergeten, zelfs niet wanneer het slechts om een beker water gaat. Wie dit diep tot zich laat doordringen zal toch zeker bereid zijn om méér en héél iets anders te schenken dan een bekertje koud water? Hebben wij er wel eens over nagedacht wat het voor de Heer betekent wanneer wij gedrongen door het geloof een dienst, al is die nog zo klein, verrichten aan een geringe discipel van de Heer? Heeft Hij er geen recht op dat we vanwege zijn grote liefde voor ons, niet slechts een bekertje, maar (om zo te zeggen) het aarden vat van ons zwak en broos lichaam tot aan de rand toe vullen met water om het aan hen te geven die Hij liefheeft? Wanneer we het meer zouden bedenken, zouden we het zeker meer doen. Maar de belofte houdt nog veel meer in!
In Matth.25:31-46 geeft de Heer een overzicht van de gebeurtenissen die plaats zullen vinden, wanneer Hij zal zitten op de troon van zijn heerlijkheid. In dit gedeelte wordt de Gemeente weliswaar niet genoemd, maar uit andere schriftplaatsen weten wij dat de
Gemeente er evengoed bij aanwezig zal zijn (Matth.19:28; 1Kor.6:2). Vanuit het Vaderhuis zal Christus haar meenemen. Met Hem zullen we zitten op zijn troon, zoals Hij zich bij zijn hemelvaart gezet heeft met zijn Vader op zijn troon (Openb.3:22). Alle volkeren worden dan voor Hem vergaderd en verdeeld in schapen en bokken. Tegen de schapen aan zijn rechterhand zal Hij zeggen: 'Komt gezegenden van mijn Vader, beërft het koninkrijk dat u bereid is van [de] grondlegging van [de] wereld af', terwijl de bokken zullen gaan in de eeuwige straf. Maar behalve de Gemeente die met de Koning op zijn troon zit is er op dat ogenblik nog een andere groep. In vs.40 noemt de Heer hen 'deze broeders van mij'. Het zijn zijn broeders naar het vlees: het zijn de Joden, de 144.000 verzegelden, die God heeft bewaard, dwars door alle oordelen heen. Ze hebben honger en dorst geleden, zwierven rond zonder vast verblijf, zonder dekking, ziek, vervolgd, gevangen. Nu staan ze daar ergens bij de troon - op een ereplaats stel ik me voor - en zijn er getuige van dat Christus de vrucht van hun arbeid, zal belonen met 'het loon van de profeet': hun zal rijkelijk verleend worden de ingang in het Koninkrijk van God. Wat moet het hun straks als hemelse muziek in de oren klinken, bij het zien van die ontelbare schare van discipelen, die zij uit de volkeren gewonnen hebben voor het koninkrijk van God en zijn Christus, wanneer Hij tegen de
schapen zal zeggen: Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; 'Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij opgenomen; naakt en u hebt Mij gekleed; Ik was ziek en u hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en u bent bij Mij gekomen.' Vol verbazing zullen de schapen aan zijn rechterhand dan vragen: wanneer zagen wij u hongerig, dorstig, naakt, ziek en in de gevangenis??? En dan zal hij hun, wijzende op de honderdvieren-veertigduizend verzegelden, dat magistrale antwoord geven: 'Voorwaar Ik zeg u, voor zoveel u het hebt gedaan aan één van de geringsten van deze broeders van mij, hebt u het Mij gedaan.'
Wat een ogenblik zal dat zijn voor Christus' getuigen wanneer zij daar van aangezicht tot aangezicht staan met hun vervolgers aan de ene en die ontelbare schare aan de andere zijde van de Koning en Hij hun met deze woorden alle eer en heerlijkheid geeft voor het front van de hele wereld, terwijl hun ogen zullen gaan over de rechtvaardigen die door hun dienst toegebracht zijn tot die ene kudde. Zij zijn de kroon op hun werk, hun roem, hun eer en heerlijkheid (vgl. 1Thess.2:19; Fil.2:16 en 2Kor.8:23). Voor hen geldt: 'Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Hij gaat al wenende voort, die de zaadbuidel draagt; voorzeker zal hij komen met gejuich, dragende zijn schoven' (Ps.126).
Dat is hun winst, hun voordeel.

00000146