U bevindt zich hier:

Geloofsopbouw

Streuper&Streuper

Prikkels

Discussie

Zoeken naar:

Algemeen:

Startpagina

Eng of ruim bij toelaten?

Naar aanleiding van 'Lezers schrijven' in de `Bode'van april 1984 het volgende.
Mij dunkt dat er een tegenspraak zit in de woorden: 'Inderdaad is God alleen de ware Kenner van de harten en wij (gelukkig) niet. Toch zegt de Schrift dat ieder persoonlijk verantwoordelijk is om te jagen naar gerechtigheid, geloof, liefde en vrede met hen die de Heer aanroepen uit een rein hart (2 Tim. 2: 22). Behalve het afgaan op wat iemand aangaande Jezus Christus belijdt, moet dus ook worden vastgesteld dat deze belijdenis uit een rein hart komt.'
Enerzijds dus: geen hartekenners, anderzijds: geroepen om vast te stellen of een belijdenis al of niet uit een rein hart komt. Het eerste maakt het tweede onmogelijk. Lees bijv. Ps. 44:22; 64:7; Jer. 17 : 9, 10.
Als er ièts voor de mens onmogelijk is, dan is dat het kennen van zijn eigen hart, laat staan dat van een ander!
Bedoelt Paulus hier niet dat wanneer iemand een goede belijdenis heeft, alleen de Heer zijn hart doorgrondt en weet wie Hem werkelijk toebehoort? Dát is de ene kant van het 'zegel'; de andere kant is, dat wanneer uit de wandel blijkt dat iemand zich onttrekt van ongerechtigheid, de conclusie gerechtvaardigd is, en het voor ons duidelijk moet zijn, dat zo iemand een rein hart hééft. De woorden 'een rein hart' betekenen iets anders dan een gereinigd hart. Dát weet alleen de Heer zeker. Maar wij zijn wel geroepen om te beoordelen of de persoon in kwestie een oprechte indruk geeft in zijn belijdenis en in zijn wandel.
Paulus geeft hier allerminst de opdracht om harten te onderzoeken. Maar hij vuurt ons aan te jagen naar gemeenschap met allen die zich onttrekken aan ongerechtigheid, en dat bewezen hebben door zich van vaten tot oneer te hebben gereinigd (of dat willen doen). Laten we de klemtoon eens leggen op 'jagen naar' en 'met hèn'. Doen we dat ook? De aanhaling van de waarschuwing uit 2 Tim. 3 lijkt mij hier misplaatst. Paulus spreekt in hst. 3 niet over hen die zich willen gaan afzonderen van de vaten tot oneer, maar over de afvallige christenheid, over mensen die zich tegen de waarheid verzetten, mensen bedorven van verstand, verwerpelijk wat het geloof betreft, en wier onzinnigheid aan allen openbaar zal worden.
Deze waarschuwing slaat op een christenheid waarvan men zich al afgezonderd hééft, en heeft niet betrekking op het toelatingsbeleid tot de tafel van de Heer. Dat mensen die deze trekken vertonen (zoals genoemd in 2 Tim. 3) geweigerd moeten worden is buiten kijf.
Mèt de schrijver van 'Over orde en tucht' deel ik de mening dat onder ons het gevaar voor een eng beleid groter is dan voor een ruim.
In dit verband kan men echter beter niet spreken over eng of ruim. Zowel het één als het ander is onjuist. Bij ons behoort een heilige vrees te zijn om iemand toe te laten die de Heer zou weigeren, maar ook een heilige vrees om iemand te weigeren die de Heer zou toelaten. Willen we een verantwoord beleid voeren dan hebben we rekening te houden met de rechten van de Heer. En wanneer wij ons hierin vergist hebben is de Heer best in staat om ons dat duidelijk te maken. Als we tenminste onze oren niet sluiten en niet weigeren gemaakte fouten te erkennen en te corrigeren.
S.Streuper, Dieren